Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2006:AZ5586

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
22 december 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06/199 ANW-V
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Verzet
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:55, vijfde lid, AwbArt. 21 Beroepswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid hoger beroep wegens niet-betaling griffierecht bevestigd

Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak, maar werd niet-ontvankelijk verklaard omdat het griffierecht niet binnen de gestelde termijn was betaald. Zij heeft verzet aangetekend tegen deze niet-ontvankelijkverklaring.

De Raad heeft vastgesteld dat appellante tijdig was gewezen op de verplichting tot betaling van het griffierecht en de gevolgen van niet-betaling. Appellante voerde aan dat haar zus de betaling zou verrichten, maar dat zij problemen ondervond en de zaak vervolgens negeerde. Ook stelde appellante het schrijven van de Raad niet te hebben ontvangen.

De Raad oordeelde dat appellante zelf verantwoordelijk is voor het handelen van haar gemachtigde en dat er geen bewijs is van onjuiste adressering of ontvangstproblemen. Daarom is het verzet ongegrond verklaard en blijft de niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep in stand.

Uitkomst: Het verzet tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep wegens niet-betaling van griffierecht wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

06/199 ANW-V
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
als bedoeld in artikel 8:55, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van Pro de Beroepswet in verband met het hoger beroep van:
[appellante], Marokko (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 2 november 2005, 05/3671
(hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: Svb).
Datum uitspraak: 22 december 2006
I. PROCESVERLOOP
Bij uitspraak als bedoeld in artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van Pro de Beroepswet van 21 april 2006 heeft de Raad het door appellante ingestelde hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak niet-ontvankelijk verklaard.
Tegen voornoemde uitspraak van de Raad heeft appellante verzet gedaan.
Het verzet is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting op 10 november 2006, waar beide partijen – de Svb met voorafgaand bericht – niet zijn verschenen.
II. OVERWEGINGEN
Bij schrijven van 20 januari 2006 is appellante gewezen op de verplichting tot betaling van griffierecht. Bij aangetekend schrijven van 17 februari 2006 is appellante erop gewezen dat het verschuldigde griffierecht binnen vier weken dient te zijn bijgeschreven op de bankrekening van de Raad dan wel ter griffie dient te zijn gestort. Daarbij is erop gewezen dat overschrijding van die termijn kan leiden tot niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep.
De uitspraak van de Raad van 21 april 2006 berust hierop, dat het griffierecht niet binnen de aan appellante gestelde termijn is betaald.
In het verzetschrift heeft appellante aangegeven dat zij haar zus heeft gevraagd het griffierecht te voldoen maar dat haar zus problemen heeft ondervonden met de betaling in Nederland en de zaak vervolgens heeft genegeerd. Verder heeft appellante aangevoerd dat zij het schrijven van de Raad van 17 februari 2006 nimmer heeft ontvangen.
De Raad is van oordeel dat appellante in verzet niets heeft aangevoerd dat kan dienen als verontschuldiging voor het niet betalen van het griffierecht.
De Raad overweegt daartoe dat appellante zelf verantwoordelijk is voor het doen of nalaten van een door haar ingeschakelde derde. De Raad weegt daarbij mee dat niet is gebleken van een onjuiste adressering van het schrijven van 17 februari 2006 en dat voornoemd schrijven niet bij de Raad retour is ontvangen.
Gelet op het voorgaande dient het verzet ongegrond te worden verklaard.
Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door J. Janssen als voorzitter en I.M.J. Hilhorst-Hagen en J.P.M. Zeijen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van D.W.M. Kaldenhoven als griffier, uitgesproken in het openbaar op 22 december 2006.
(get.) J. Janssen.
(get.) D.W.M. Kaldenhoven.