ECLI:NL:CRVB:2006:AZ6810
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- T. Hoogenboom
- C.P.J. Goorden
- B.M. van Dun
- Rechtspraak.nl
Beoordeling weigering WW-uitkering wegens verzorging kinderen in buitenland
Appellante verzorgde haar adoptiekinderen van 1997 tot 1998 in Bolivia en werkte daarna in Nederland. Zij vroeg een loongerelateerde WW-uitkering aan, die werd geweigerd omdat zij niet voldeed aan de arbeidsverledeneis. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat verzorging van kinderen in het buitenland niet gelijkgesteld kan worden met verzorging in Nederland, mede vanwege het territorialiteitsbeginsel van de WW.
Appellante voerde hoger beroep aan met een beroep op artikel 26 van Pro het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten (IVBPR), stellende dat er sprake is van ongerechtvaardigde discriminatie. De Raad overwoog dat de WW alleen arbeid verzekert die in Nederland is verricht of onder specifieke voorwaarden buiten Nederland door personen met een band met Nederland. De regeling van het verzorgingsforfait is bedoeld voor personen die een wezenlijke band met Nederland behouden en daardoor een uitzondering op de arbeidsverledeneis kunnen krijgen.
De Raad concludeerde dat het onderscheid tussen verzorging binnen en buiten Nederland objectief en gerechtvaardigd is, mede ter voorkoming van ongewenste budgettaire gevolgen en het territorialiteitsbeginsel. Het beroep van appellante op artikel 26 IVBPR Pro faalde en het hoger beroep werd ongegrond verklaard. De aangevallen uitspraak werd bevestigd zonder toekenning van proceskostenvergoeding.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de loongerelateerde WW-uitkering wegens verzorging van kinderen in het buitenland.