ECLI:NL:CRVB:2007:AZ6314
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- G.J.H. Doornewaard
- J. Brand
- J.P.M. Zeijen
- Rechtspraak.nl
Beoordeling winstverdeling en arbeidsongeschiktheid bij WAZ-uitkering zelfstandige garagehouder
Appellant, een zelfstandig garagehouder met een WAZ-uitkering wegens arbeidsongeschiktheid van 80% of meer, betwistte de winstverdeling tussen hem en zijn echtgenote over de jaren 1999 en 2000. Het UWV had geweigerd tot uitbetaling van de WAZ-uitkering over deze jaren omdat de (fictieve) mate van arbeidsongeschiktheid minder dan 25% zou bedragen op basis van het inkomen.
De rechtbank had eerder geoordeeld dat de fiscale winstverdeling niet zonder meer maatgevend is en dat een reëel verband moet bestaan tussen het resultaat en de arbeidsinbreng van de betrokkenen. De Raad bevestigt dit oordeel en stelt dat het UWV aannemelijk heeft gemaakt dat de toerekening van 70% van de winst aan appellant een reëlere weergave is van de feitelijke situatie, mede gelet op de inzet van de echtgenote en de loonwaarde van de arbeid.
Appellant voerde aan dat zijn arbeidsinbreng hoger was dan door het UWV vastgesteld en dat de fiscale keuze correct was. De Raad acht deze stellingen onvoldoende onderbouwd en oordeelt dat de fiscale werkelijkheid niet maatgevend is. De eerdere uitspraken van de rechtbank worden bevestigd en het UWV wordt veroordeeld in de proceskosten van appellant.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de fiscale winstverdeling wordt niet gevolgd; 70% van de winst wordt aan appellant toegerekend.