ECLI:NL:CRVB:2007:AZ6443

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
12 januari 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
04-7103 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbToeslagenwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging terugvordering toeslag WAO wegens gezamenlijke huishouding en werkzaamheden partnerbedrijf

Appellante maakte bezwaar tegen het besluit van het Uwv om de toeslag op haar WAO-uitkering per 1 juli 2002 te beëindigen en een bedrag van €18.652,15 terug te vorderen. Het Uwv had vastgesteld dat appellante samenwoonde met haar partner en werkzaamheden verrichtte in diens bedrijf, waardoor zij geen recht meer had op de toeslag. De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep van appellante ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigt deze uitspraak.

De Raad baseert zich op een rapport van de afdeling Bijzonder Onderzoek van het Uwv, waarin onder meer getuigenverklaringen, observaties en verklaringen van appellante zelf zijn opgenomen. Hieruit blijkt dat appellante een gezamenlijke huishouding voert met haar partner en economische waarde toevoegt door werkzaamheden in diens bedrijf. Appellante heeft geen dringende redenen aangevoerd om van de terugvordering af te zien.

Het hoger beroep van appellante is niet-ontvankelijk wegens gebrek aan onderbouwing en herhaling van eerder aangevoerde grieven. De Raad ziet geen aanleiding om af te wijken van het oordeel van de rechtbank en bevestigt het bestreden besluit en de terugvordering van de toeslag.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het besluit tot terugvordering van de toeslag WAO wordt bevestigd.

Uitspraak

04/7103 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 3 november 2004, 04/399 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 12 januari 2007
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. A.L. Kuit, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 december 2006. Appellante en haar gemachtigde zijn niet verschenen. Het Uwv was vertegenwoordigd door M.K. Dekker.
II. OVERWEGINGEN
Voor de relevante feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat hier met de vermelding dat het Uwv naar aanleiding van een rapportage van de afdeling Bijzonder Onderzoek van het Uwv een vijftal primaire besluiten heeft genomen, inhoudende dat (1) de toeslag ingevolge de Toeslagenwet (TW) op voorhand per 1 juli 2002 wordt beëindigd, (2) appellantes WAO-uitkering berekend naar een percentage van 80 of meer per 1 januari 1999 wordt uitbetaald behorend bij de arbeidsongeschiktheidsklasse van 65-80% en (3) van 1 januari 2001 tot 1 januari 2002 wordt uitbetaald behorend bij de klasse 25-35%, (4) per 31 januari 1998 geen recht meer bestaat op een toeslag ingevolge de TW en (5) een bedrag wordt teruggevorderd van in totaal € 18.652,15. Bij besluit van 30 december 2003 (het bestreden besluit) heeft het Uwv de bezwaren tegen de primaire besluiten ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft hiertoe overwogen dat uit de stukken in het dossier en met name uit het rapport van de afdeling Bijzonder Onderzoek genoegzaam is gebleken dat appellante hoofdverblijf heeft in dezelfde woning als haar partner [naam partner] en dat zij een gezamenlijke huishouding met hem voert. Tevens is genoegzaam gebleken dat zij werkzaamheden heeft verricht in het bedrijf van haar partner die op de arbeidsmarkt een economische waarde vertegenwoordigen. Bepalend is de feitelijke situatie, zoals die kan worden afgeleid uit het rapport van de afdeling Bijzonder Onderzoek, waarbij gebruik is gemaakt van getuigenverklaringen, observatie en verklaringen van appellante zelf. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat appellante geen dringende redenen heeft aangevoerd op grond waarvan het Uwv van de terugvordering af moet zien.
De Raad deelt, onder overneming van de door de rechtbank in de aangevallen uitspraak gebezigde gronden het oordeel van de rechtbank.
In de grieven die namens appellante naar voren zijn gebracht en die in essentie een herhaling vormen van hetgeen in beroep reeds was aangevoerd, heeft de Raad geen aanleiding gevonden om tot een andersluidend oordeel te komen. De grieven ontberen iedere vorm van onderbouwing terwijl de dossierstukken, met name het rapport van de afdeling Bijzonder Onderzoek, duidelijk, volledig en eensluidend zijn.
Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet kan slagen.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door G.J.H. Doornewaard als voorzitter en J. Brand en J.P.M. Zeijen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.C.T.M. Sonderegger als griffier, uitgesproken in het openbaar op 12 januari 2007.
(get.) G.J.H. Doornewaard.
(get.) M.C.T.M. Sonderegger.