ECLI:NL:CRVB:2007:AZ7554
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.C. Bruning
- M.C.M. van Laar
- E. Dijt
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering ziekengeld op grond van arbeidsongeschiktheid volgens Ziektewet
Appellante heeft zich op 22 november 1999 ziek gemeld bij het UWV, dat op 3 januari 2000 een besluit nam om haar geen ziekengeld toe te kennen. Dit besluit werd later herzien en bevestigd in bezwaar en door de rechtbank Utrecht in 2003. De rechtbank oordeelde dat appellante op 22 november 1999 niet zodanig arbeidsongeschikt was dat zij haar werkzaamheden als schoonmaakster niet kon verrichten.
In hoger beroep betoogde appellante dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat zij op die datum niet arbeidsongeschikt was en dat zij wel recht had op ziekengeld. De Centrale Raad van Beroep stelt echter vast dat de eerdere uitspraak van de rechtbank duidelijk en zonder voorbehoud heeft vastgesteld dat appellante op 22 november 1999 haar werkzaamheden kon verrichten.
De Raad benadrukt dat deze vaststelling, ook al is die gedaan in het kader van een WAO-procedure, relevant is voor de beoordeling van het recht op een uitkering ingevolge de Ziektewet. Daarom is het besluit van het UWV om geen ziekengeld toe te kennen terecht en wordt het hoger beroep van appellante ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van ziekengeld wordt bevestigd.