ECLI:NL:CRVB:2007:AZ7594
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J. Janssen
- J. Brand
- J.P.M. Zeijen
- Rechtspraak.nl
Beoordeling terugvordering WAZ-uitkering wegens inkomsten uit arbeid en anti-cumulatieregeling
Appellant maakte bezwaar tegen het besluit van het UWV om op grond van artikel 58 van Pro de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) zijn uitkering terug te vorderen wegens inkomsten uit arbeid in de jaren 1998, 1999 en 2000. Het UWV had de mate van arbeidsongeschiktheid voor die jaren aangepast en de uitkering dienovereenkomstig gecorrigeerd, waarbij toepassing werd gegeven aan de anti-cumulatieregeling.
De rechtbank verklaarde het bezwaar van appellant deels gegrond en vernietigde het besluit, waarna het UWV een nieuw besluit nam dat het bezwaar opnieuw besliste. Appellant stelde in hoger beroep dat het UWV te laat was met de terugvordering, wat strijd zou opleveren met het rechtszekerheidsbeginsel. Tevens voerde appellant aan dat het UWV geen inkomsten in mindering mocht brengen over perioden waarin hij niet had gewerkt en dat de winsttoerekening onjuist was.
De Raad oordeelde dat toepassing van artikel 58 WAZ Pro met terugwerkende kracht in beginsel strijdig is met het rechtszekerheidsbeginsel, maar dat in dit geval appellant redelijkerwijs op de hoogte had kunnen zijn van de gevolgen van zijn inkomsten voor de uitkering. Ook is het feit dat winst pas na afloop van het boekjaar kan worden vastgesteld een rechtvaardiging voor terugwerkende kracht. De Raad verwierp het beroep op het gelijkheidsbeginsel en concludeerde dat het UWV terecht de inkomsten uit onderneming heeft geanticumuleerd. Het hoger beroep werd niet-ontvankelijk verklaard en het beroep tegen het besluit van 6 mei 2004 ongegrond.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard en het beroep tegen het besluit van 6 mei 2004 wordt ongegrond verklaard.