ECLI:NL:CRVB:2007:AZ7915

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
2 februari 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
05-4833 WSF
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijk verklaring hoger beroep wegens vervallen procesbelang na nieuw besluit ouderlijke bijdrage

Appellante stelde hoger beroep in tegen een besluit van de IB-Groep waarin haar veronderstelde ouderlijke bijdrage voor het jaar 2000 was vastgesteld op basis van een belastbaar inkomen van €37.393,-. De rechtbank had het beroep ongegrond verklaard, stellende dat de IB-Groep mocht uitgaan van de door de Belastingdienst vastgestelde inkomensgegevens zolang deze niet waren gewijzigd.

Tijdens het hoger beroep overhandigde appellante een kennisgeving van de Belastingdienst waarin het belastbaar inkomen over 2000 was vastgesteld op €0,00. Naar aanleiding hiervan stelde de IB-Groep bij een nieuw besluit van 10 september 2005 de ouderlijke bijdrage voor 2002 alsnog vast op €0,00 per maand.

Door dit nieuwe besluit was het oorspronkelijke bestreden besluit achterhaald en het procesbelang van appellante vervallen. De Centrale Raad van Beroep verklaarde daarom het hoger beroep niet-ontvankelijk. Er werden geen proceskosten toegekend.

Uitkomst: Het hoger beroep is niet-ontvankelijk verklaard wegens vervallen procesbelang na nieuw besluit van de IB-Groep.

Uitspraak

05/4833 WSF
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 23 juni 2005, 04/877 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de hoofddirectie van de Informatie Beheer Groep (hierna: IB-Groep)
Datum uitspraak: 2 februari 2007
I. PROCESVERLOOP
Appellante heeft hoger beroep ingesteld.
Zij heeft bij haar beroepschrift een door de belastingdienst afgegeven kennisgeving inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 2000, gedagtekend 24 maart 2005, overgelegd waarbij haar belastbaar inkomen in het jaar 2000 nader is vastgesteld op € 0,00.
De IB-Groep heeft een verweerschrift ingediend.
Naar aanleiding van de bij het beroepschrift gevoegde (gewijzigde) gegevens van de belastingdienst heeft de IB-Groep bij besluit van 10 september 2005 (Bericht Ouder 2002, nr. 4) de veronderstelde ouderlijke bijdrage 2002 van appellante voor haar kinderen [J.] en [M.] alsnog vastgesteld op € 0,00 per maand.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 december 2006. Appellante is niet verschenen. De IB-Groep was vertegenwoordigd door mr. drs. K. Meijer.
II. OVERWEGINGEN
Bij besluit van 20 maart 2004 (Bericht Ouder 2002, nr. 3) heeft de IB-Groep naar aanleiding van door de Belastingdienst verstrekte gegevens de veronderstelde ouderlijke bijdrage 2000 van appellante nader vastgesteld op basis van een inkomen van € 37.393,-.
Bij besluit van 28 mei 2004 (het bestreden besluit) heeft de IB-Groep het door appellante ingediend bezwaar ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat de IB-Groep mag uitgaan van het door de Belastingdienst vastgestelde belastbare inkomen zolang de Belastingdienst die vaststelling (nog) niet heeft gewijzigd.
De Raad overweegt het volgende.
Het bestreden besluit is achterhaald door het besluit van 10 september 2005 waarbij de IB-Groep de veronderstelde ouderlijke bijdrage op grond van in hoger beroep ter beschikking gekomen gegevens van de Belastingdienst alsnog heeft vastgesteld op basis van een inkomen in het jaar 2000 van € 0,00.
Door dit nieuwe besluit is appellantes procesbelang komen te vervallen.
Het hoger beroep moet daarom niet-ontvankelijk worden verklaard.
Er zijn geen proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door J. Janssen als voorzitter en J. Brand en J.P.M. Zeijen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.C.W. Ris – van Huussen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 2 februari 2007.
(get.) J. Janssen.
(get.) A.C.W. Ris – van Huussen.