ECLI:NL:CRVB:2007:AZ8264

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
2 februari 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
05-2628 WSF
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 26, negende lid, Wet op de studiefinanciering (WSF)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging vordering meerinkomen en beëindiging studiefinanciering 1999

Appellante is in hoger beroep gegaan tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar die een vordering wegens meerinkomen over 1999 bevestigde en de beëindiging van haar studiefinanciering handhaafde.

Zij stelde dat het niet is toegestaan om met terugwerkende kracht studiefinanciering te beëindigen en dat de hardheidsclausule toegepast zou moeten worden. Tevens voerde zij aan dat haar mondeling was toegezegd dat niet op 1999 zou worden teruggekomen, dat de IB-Groep een onjuist bedrag aan premies Ziekenfondswet hanteerde en dat de opgelegde OV-boete niet in verhouding stond tot het verzuim.

De Raad oordeelde dat de IB-Groep een beleidslijn heeft ontwikkeld waarbij met terugwerkende kracht beëindiging mogelijk is tot 27 mei 2003 en dat dit beleid als interne gedragslijn een redelijke invulling van de discretionaire bevoegdheid is. Appellante had niet tijdig haar meerinkomen gemeld en kon haar brief van 9 september 1999 niet aantonen. De toezegging van niet-terugkomen kon niet worden bevestigd. De OV-boete en de gehanteerde premiebedragen waren rechtmatig.

De Centrale Raad van Beroep bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de vordering wegens meerinkomen en beëindiging studiefinanciering worden bevestigd.

Uitspraak

05/2628 WSF
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 10 maart 2005, 04/433 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de hoofddirectie van de Informatie Beheer Groep (hierna: IB-Groep).
Datum uitspraak: 2 februari 2007
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft haar vader, [naam vader], hoger beroep ingesteld.
De IB-Groep heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 november 2006. Appellante is niet verschenen. De IB-Groep was vertegenwoordigd door mr. G.J.M. Naber.
II. OVERWEGINGEN
Voor de feiten en de toepasselijke wettelijke bepalingen verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak.
Dit geding betreft de beantwoording van de vraag of de aan appellante opgelegde vordering wegens meerinkomen over het jaar 1999, zoals deze is neergelegd in het besluit van 6 mei 2004, in rechte stand kan houden.
De Raad beantwoordt deze vraag, evenals de rechtbank, bevestigend.
Appellante heeft aangevoerd dat het wettelijk gezien niet toegestaan is met terug-werkende kracht het recht op studiefinanciering te beëindigen. Daarom moet in haar geval de hardheidsclausule worden toegepast. Zij heeft er daarbij op gewezen dat haar naar aanleiding van haar brief van 9 september 1999 mondeling is toegezegd dat op het jaar 1999 niet meer zou worden teruggekomen. Daarnaast is aangevoerd dat de IB-Groep is uitgegaan van een onjuist bedrag aan premies ingevolge de Ziekenfondswet en dat de OV-boete niet in verhouding staat tot het eventueel gepleegde verzuim.
In het verweerschrift heeft de IB-Groep aangegeven dat zij in het kader van de toepassing van de hardheidsclausule beleid heeft ontwikkeld op grond waarvan, in afwijking van het bepaalde in artikel 26, negende lid, van de Wet op de studiefinanciering (WSF), de studiefinanciering met terugwerkende kracht kan worden beëindigd. Met betrekking tot het studiefinancieringstijdvak 1999 kon dit tot 27 mei 2003. Daarom stelt de IB-Groep zich op het standpunt dat in het geval van appellante zich de zeer bijzondere situatie dat het de studerende niet mogelijk was om het studiefinancieringstijdvak in te korten niet heeft voorgedaan.
Met inachtneming van de bij de uitoefening van een discretionaire bestuursbevoegdheid passende terughoudende toetsing, kan naar het oordeel van de Raad van dit beleid van de IB-Groep, dat -zoals de IB-Groep ter zitting heeft aangegeven- is op te vatten als een interne gedragslijn, niet worden gezegd dat het een onredelijke invulling vormt van haar bevoegdheid om met toepassing van de hardheidsclausule af te wijken van de wet.
De Raad verwijst in dit verband naar zijn uitspraken van 26 januari 2007, LJN: AZ7304 en LJN: AZ7267.
Wat betreft de toepassing van dit beleid in het onderhavige geval overweegt de Raad dat de IB-Groep zich in redelijkheid op het standpunt kan stellen dat appellante niet heeft voldaan aan de van dit beleid deel uitmakende voorwaarde dat een verzoek binnen de daartoe vastgestelde termijn moet worden ingediend. Ook naar het oordeel van de Raad is onvoldoende komen vast te staan dat appellante de IB-Groep tijdig en uit eigen beweging haar meerinkomen heeft gemeld. Weliswaar heeft appellante een brief van 9 september 1999 aan de IB-Groep overgelegd, maar de IB-Groep heeft deze brief na intern onderzoek niet kunnen traceren en appellante heeft geen bewijs van verzending of een ontvangstbevestiging kunnen overleggen. Evenmin is aannemelijk geworden dat een daartoe bevoegde medewerker van de IB-Groep aan appellante heeft toegezegd dat op het jaar 1999 niet zou worden teruggekomen, reeds omdat de bewuste medewerker bij de IB-Groep niet bekend is.
Wat betreft de OV-boete kan de Raad zich eveneens verenigen met het oordeel van de rechtbank, dat in lijn met de jurisprudentie van de Raad op dit punt is.
Tenslotte overweegt de Raad dat uit de gedingstukken niet is gebleken dat appellante meer aan premies Ziekenfondswet heeft betaald dan waarvan de IB-Groep is uitgegaan.
Het hoger beroep slaagt derhalve niet.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J. Janssen als voorzitter en I.M.J. Hilhorst-Hagen en J.P.M. Zeijen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van D.W.M. Kaldenhoven als griffier, uitgesproken in het openbaar op 2 februari 2007.
(get.) J. Janssen.
(get.) D.W.M. Kaldenhoven.