ECLI:NL:CRVB:2007:AZ8353
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling intrekking en terugvordering bijstandsuitkering wegens niet-melding economische activiteiten
Appellant en zijn echtgenote ontvingen bijstand vanaf 1998, aanvankelijk op grond van de Abw en vanaf 2004 op grond van de WWB. Na een strafrechtelijk onderzoek bracht de sociale recherche een rapport uit waaruit bleek dat appellant betrokken was bij diverse geldtransacties en andere economische activiteiten die niet aan het College waren gemeld.
Het College herzag en trok de bijstand in over de periode mei 1999 tot en met november 2002 en vorderde de kosten terug. Tevens werd een bijdrage ingevolge de vangnetregeling huursubsidie teruggevorderd. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en appellant ging in hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep.
De Raad oordeelde dat hij niet bevoegd was inzake de vangnetregeling, die niet in de Beroepswet is opgenomen, en zond dat deel door naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Voor het overige bevestigde de Raad het oordeel dat appellant de inlichtingenplicht had geschonden door de omvangrijke en structurele economische activiteiten niet te melden.
De Raad vond het aannemelijk dat appellant gedurende meerdere jaren betrokken was bij geldtransacties naar Irak, waarbij ook provisies werden ontvangen. Appellant voerde aan dat het vrijwilligerswerk betrof en dat hij niet wist dat dit gemeld moest worden, maar de Raad verwierp dit. De intrekking en terugvordering van de bijstand was daarmee terecht en het hoger beroep slaagde niet.
De strafrechtelijke vrijspraak wegens bijstandsfraude deed hieraan niet af, omdat bestuursrechtelijke en strafrechtelijke procedures verschillende rechtsvragen en bewijseisen kennen.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking en terugvordering van bijstand en verklaart zich onbevoegd voor het deel inzake de vangnetregeling huursubsidie.