ECLI:NL:CRVB:2007:AZ8855
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H. Bolt
- C.P.J. Goorden
- B.M. van Dun
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid na geweld op werkvloer
Appellant was sinds 1998 werkzaam als CNC-frezer bij een werkgever en zijn arbeidsovereenkomst werd op 30 juli 2004 ontbonden wegens gewijzigde omstandigheden. Na een incident waarbij appellant zijn ploegbaas had geslagen, werd hij ontslagen op staande voet, later ingetrokken, waarna de kantonrechter het dienstverband ontbond wegens een verstoorde arbeidsverhouding.
Appellant vroeg een WW-uitkering aan, maar het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) weigerde deze omdat appellant verwijtbaar werkloos was geworden door zijn gedrag. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat appellant redelijkerwijs had moeten weten dat zijn agressieve gedrag tot ontslag zou leiden.
In hoger beroep betwistte appellant dit oordeel, stellende dat het ontslag op staande voet was ingetrokken en dat hij slechts een afwerend gebaar had gemaakt. De Raad overwoog dat het Uwv een zelfstandige beoordeling moet maken en dat de bewijsvoering, waaronder getuigenverklaringen, voldoende was om het verwijtbare gedrag vast te stellen.
De Raad concludeerde dat appellant zich zodanig had gedragen dat hij redelijkerwijs had moeten begrijpen dat dit tot ontslag zou leiden en bevestigde de weigering van de WW-uitkering. Er werd geen proceskostenvergoeding toegekend.
Uitkomst: De weigering van de WW-uitkering wordt bevestigd wegens verwijtbare werkloosheid door het slaan van de ploegbaas.