ECLI:NL:CRVB:2007:AZ8866
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- T. Hoogenboom
- C.P.J. Goorden
- B.M. van Dun
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid leraar na vertrouwensbreuk
Appellant was sinds 1998 leraar bij een onderwijsinstelling en werd ontslagen wegens een onherstelbare vertrouwensbreuk, veroorzaakt door een relatie met een minderjarige leerlinge die niet voldeed aan professionele normen. De klacht van seksuele intimidatie werd door de Landelijke Klachtencommissie ongegrond verklaard, maar de vertrouwensbreuk bleef bestaan.
Na het ontslag vroeg appellant een WW-uitkering en een bovenwettelijke uitkering aan, die beide werden geweigerd omdat hij verwijtbaar werkloos was geworden. De rechtbank en vervolgens de Centrale Raad van Beroep bevestigden deze weigering, stellende dat appellant redelijkerwijs had moeten begrijpen dat zijn relatie met de leerlinge tot ontslag zou leiden.
Appellant voerde aan dat hij met goede bedoelingen handelde, dat de mentor en ouders op de hoogte waren, en dat hem was toegezegd dat hij mocht terugkeren als de klacht ongegrond zou zijn. De Raad oordeelde echter dat geen toezegging was gedaan en dat de klacht wel degelijk gegrond was verklaard. De Raad vond geen aanleiding om het verwijt weg te nemen en bevestigde de weigering van de uitkeringen.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WW- en bovenwettelijke uitkering wegens verwijtbare werkloosheid van appellant.