ECLI:NL:CRVB:2007:AZ8979
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- A.B.J. van der Ham
- J.M.A. van der Kolk-Severijns
- C. van Viegen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstandsuitkering wegens schending inlichtingenverplichting
Appellant ontving vanaf 18 februari 2003 een bijstandsuitkering. Naar aanleiding van een tip dat appellant werkzaamheden verrichtte in de snackbar van zijn zoon, heeft de gemeente ’s-Gravenhage een onderzoek ingesteld. Dit onderzoek bestond uit dossieronderzoek, locatiebezoek en waarnemingen, gevolgd door het horen van appellant en zijn zoon op 8 maart 2005.
Op grond van het onderzoek en de verklaringen van appellant en zijn zoon, die door de Raad als betrouwbaar zijn beoordeeld, concludeerde het College dat appellant vanaf 1 maart 2005 werkzaam was in de snackbar. Appellant heeft dit niet gemeld aan het College, waardoor het recht op bijstand niet kon worden vastgesteld. Het College trok daarom de bijstand per 1 maart 2005 in, wat door de rechtbank werd bevestigd.
In hoger beroep heeft appellant onvoldoende tegenbewijs geleverd. De Raad oordeelt dat appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting volgens artikel 17, eerste lid, WWB heeft geschonden. Het College was op grond van artikel 54, derde lid, onder a, WWB bevoegd de bijstand in te trekken. De Raad bevestigt de eerdere uitspraak en wijst het hoger beroep af zonder proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De intrekking van de bijstandsuitkering van appellant wegens schending van de inlichtingenverplichting wordt bevestigd.