ECLI:NL:CRVB:2007:AZ8981
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- A.B.J. van der Ham
- J.M.A. van der Kolk-Severijns
- C. van Viegen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstandsuitkering wegens onjuiste woonplaatsopgave
Appellant ontving bijstand vanaf 1994, maar het College vermoedde dat hij niet woonde op het opgegeven adres in [plaatsnaam 1]. Een onderzoek, inclusief huisbezoek en getuigenverklaringen, wees uit dat appellant feitelijk woonde bij zijn vriendin in [plaatsnaam 2].
Het College trok daarom de bijstand over de periode van 1 juli 1997 tot en met 30 april 2003 in en vorderde de kosten terug. De rechtbank vernietigde het besluit wegens onvoldoende motivering, maar liet de rechtsgevolgen in stand. Appellant stelde zich op het standpunt dat hij wel woonde op het opgegeven adres.
De Raad oordeelde dat de feitelijke omstandigheden en getuigenverklaringen voldoende grond boden om te concluderen dat appellant niet woonde op het opgegeven adres. Tevens was appellant niet nagekomen aan zijn inlichtingenplicht. Er was geen dringende reden om af te zien van intrekking en terugvordering. De Raad bevestigde daarom het bestreden besluit en de rechtsgevolgen daarvan.
Uitkomst: De intrekking van de bijstandsuitkering en de terugvordering worden bevestigd wegens onjuiste woonplaatsopgave.