ECLI:NL:CRVB:2007:AZ9066
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- A.B.J. van der Ham
- J.M.A. van der Kolk-Severijns
- C. van Viegen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand en boete wegens gezamenlijke huishouding en inlichtingenplichtschending
Appellante ontving sinds 1997 een bijstandsuitkering als alleenstaande ouder. Het College stelde vast dat zij vanaf 7 oktober 2003 tot en met 31 mei 2004 een gezamenlijke huishouding voerde met [M.], met wie zij een kind had. Dit werd bevestigd door huisbezoeken, administratieve gegevens en verklaringen van appellante zelf.
Omdat appellante deze gezamenlijke huishouding niet had gemeld, schond zij haar inlichtingenplicht zoals bedoeld in artikel 65 van Pro de Algemene Bijstandswet (Abw). Hierdoor werd haar ten onrechte bijstand toegekend, en was het College bevoegd deze bijstand over genoemde periode in te trekken en terug te vorderen.
Daarnaast werd appellante een boete opgelegd wegens deze schending. De Raad oordeelde dat het College terecht de boete had verlaagd conform het gemeentelijke beleid en het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, maar dat er geen reden was om de boete verder te verlagen of te laten vervallen.
Het hoger beroep van appellante slaagt niet, en de Centrale Raad bevestigt de uitspraak van de rechtbank die het beroep grotendeels ongegrond verklaarde en het beroep tegen de boete niet-ontvankelijk. Er worden geen proceskosten aan appellante opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad bevestigt de intrekking van de bijstand en de oplegging van een boete wegens het niet melden van een gezamenlijke huishouding.