ECLI:NL:CRVB:2007:AZ9328

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
21 februari 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06-1330 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging intrekking WAO-uitkering na herbeoordeling arbeidsongeschiktheid

Appellante, die sinds 28 oktober 1996 arbeidsongeschikt was en een WAO-uitkering ontving, werd per 1 april 2005 herbeoordeeld door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv). Na deze herbeoordeling werd haar uitkering ingetrokken omdat haar arbeidsongeschiktheid werd vastgesteld op minder dan 15%.

De rechtbank had het beroep van appellante tegen dit besluit gegrond verklaard, maar de rechtsgevolgen van het besluit in stand gelaten. Appellante stelde in hoger beroep dat haar psychische beperkingen waren onderschat en dat de functies die haar waren toegeschreven niet passend waren. Tevens verzocht zij om het inschakelen van een deskundige omdat haar behandelaars geen verklaring wilden afgeven.

De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat er geen aanleiding was om te twijfelen aan de bevindingen van de verzekeringsarts en bezwaarverzekeringsartsen van het Uwv. De Raad vond dat appellante haar stellingen onvoldoende medisch had onderbouwd en dat het niet verkrijgen van een verklaring van haar behandelaars niet tot een ander oordeel leidde. Ook was niet aannemelijk gemaakt dat de voorgestelde functies haar mogelijkheden overschreden.

Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking van de WAO-uitkering per 1 april 2005 wegens een juiste vaststelling van minder dan 15% arbeidsongeschiktheid.

Uitspraak

06/1330 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante], (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 19 januari 2006, 05/2541,
(hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 21 februari 2007.
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. B.L.I.M. van Overloop, advocaat te Bergen op Zoom, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 januari 2007. Appellante is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. van Grinsven, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
II. OVERWEGINGEN
1. De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.
2. Appellante is op 28 oktober 1996 uitgevallen uit haar werk als productiemedewerkster. Met ingang van 27 oktober 1997 heeft het Uwv haar een uitkering ingevolge de WAO toegekend, welke laatstelijk was berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Na een herbeoordeling van appellante door een verzekeringsarts en een arbeidsdeskundige van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen heeft het Uwv deze uitkering bij besluit van
31 januari 2005 ingetrokken met ingang van 1 april 2005. Het Uwv heeft dit besluit, na bezwaar, gehandhaafd bij beslissing op bezwaar van 27 juni 2005.
3. De rechtbank heeft appellantes beroep tegen het bestreden besluit bij de aangevallen uitspraak gegrond verklaard en de rechtsgevolgen van dat besluit in stand gelaten. De rechtbank was van oordeel dat het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante per 1 april 2005 terecht op minder dan 15% heeft gewaardeerd.
4. In hoger beroep heeft appellante het oordeel van de rechtbank bestreden voor zover de rechtbank de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand heeft gelaten. Daarbij heeft appellante aangevoerd dat de mate van haar arbeidsongeschiktheid te laag is vastgesteld doordat de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsartsen van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen haar psychische beperkingen hebben onderschat en voorts dat de door de arbeidsdeskundige en de bezwaararbeidsdeskundige geschikt bevonden functies voor haar niet passend zijn. Appellante heeft de Raad verzocht een deskundige in te schakelen, nu de haar behandelende psycholoog en psychiater beiden hebben geweigerd een verklaring af te geven.
5. Ter beoordeling staat thans, of de Raad de rechtbank volgt in haar oordeel, voor zover dat is aangevochten. Daartoe overweegt de Raad als volgt.
5.1. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat geen aanleiding bestaat te twijfelen aan de juistheid van de bevindingen van de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsartsen van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen. De Raad onderschrijft ook de aan dat oordeel ten grondslag gelegde overwegingen van de rechtbank. De Raad voegt hieraan toe dat de bezwaarverzekeringsarts de door appellante in hoger beroep overgelegde stukken van GGZ Westelijk Noord-Brabant heeft bestudeerd en blijkens het daarvan opgestelde rapport van 8 mei 2006 bij zijn standpunt is gebleven dat de klachten en beperkingen van appellante juist zijn gewaardeerd.
5.2. Appellante heeft in hoger beroep haar stelling herhaald, dat haar beperkingen niet juist zijn ingeschat, maar zij heeft deze stelling niet onderbouwd met een medische visie die een concreet aanknopingspunt biedt voor de juistheid van die stelling. Gelet hierop ziet de Raad geen aanleiding voor het benoemen van een deskundige. Dat het appellante niet is gelukt een verklaring van de door haar benaderde behandelaars te verkrijgen leidt niet tot een ander oordeel, nu niet is in te zien dat appellante niet op andere wijze haar standpunt medisch had kunnen onderbouwen.
5.3. De stelling van appellante dat de geduide functies niet geschikt zijn voor haar kan evenmin slagen. Die functies overschrijden appellantes mogelijkheden, zoals die zijn vastgesteld, immers niet. Door appellante is voorts niet aannemelijk gemaakt dat zij niet in staat is een voor die functies vereiste korte interne opleiding te volgen en dat zij geen gebruik kan maken van een beeldscherm. De Raad merkt hierbij op dat de bij appellante aanwezige mogelijkheid tot het concentreren van de aandacht volgens de functionele mogelijkhedenlijst normaal is.
6. Het hoger beroep kan niet slagen. De aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, dient te worden bevestigd.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom als voorzitter en C.P.J. Goorden en B.M. van Dun als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.R.S. Bacon als griffier, uitgesproken in het openbaar op 21 februari 2007.
(get.) T. Hoogenboom.
(get.) M.R.S. Bacon.