ECLI:NL:CRVB:2007:AZ9371
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- C.W.J. Schoor
- H.G. Rottier
- C.P.M. van de Kerkhof
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit over intrekking WAO-uitkering wegens onvoldoende motivering arbeidsmogelijkheden
Appellante was sinds 1995 ziek gemeld met psychische klachten en ontving vanaf 1996 een WAO-uitkering. Na medisch onderzoek in 2001 en 2002 werd haar arbeidsongeschiktheid opnieuw beoordeeld, waarna het UWV besloot haar uitkering per 2 oktober 2002 in te trekken. Appellante maakte bezwaar tegen dit besluit, dat door het UWV en later door de rechtbank werd afgewezen.
In hoger beroep betoogde appellante dat de functies die haar werden toegerekend niet passend waren en dat zij niet in staat was om aanvullende opleidingen te volgen die voor die functies vereist zijn. De Raad oordeelde dat de medische beoordeling juist was en dat het rapport van de arbeidsdeskundige voldoende onderbouwing gaf voor de geschiktheid van de functies, waaronder graafmachinebestuurder en schilder.
Desondanks stelde de Raad vast dat de motivering van de arbeidskundige grondslag in eerste aanleg onvoldoende was, waardoor het besluit vernietigd moest worden op grond van strijd met de Awb. De rechtsgevolgen van het besluit bleven echter in stand. Tevens werd het UWV veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van appellante.
Uitkomst: Het besluit tot intrekking van de WAO-uitkering wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering, maar de rechtsgevolgen blijven in stand.