ECLI:NL:CRVB:2007:AZ9759

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
2 maart 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06-3974 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 Schattingsbesluit 2004Art. 10 Schattingsbesluit 2004
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onverbindendheid van maximering urenomvang maatman in Schattingsbesluit 2004 bevestigd

Betrokkene, werkzaam als agrarisch medewerkster, ontving sinds 17 juli 2001 een WAO-uitkering op basis van een arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Appellant, het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, trok de WAO-uitkering per 1 april 2005 in, mede op grond van de maximering van de urenomvang van de maatman zoals geregeld in het Schattingsbesluit 2004.

De rechtbank Rotterdam oordeelde dat deze regeling onverbindend is omdat zij het beginsel van feitelijke inkomstenderving verlaat. Dit oordeel werd door de Centrale Raad van Beroep bevestigd. De Raad stelde dat het Schattingsbesluit 2004, voor zover het afwijkt van het beginsel van feitelijke inkomstenderving in de artikelen 9 en 10, geen verbindende kracht heeft.

Het hoger beroep van appellant werd verworpen en de aangevallen uitspraak van de rechtbank werd bevestigd. Tevens werd appellant veroordeeld tot betaling van de proceskosten van betrokkene in hoger beroep. Hiermee blijft het besluit tot intrekking van de WAO-uitkering niet in stand.

Uitkomst: Het hoger beroep van appellant wordt verworpen en de intrekking van de WAO-uitkering wordt vernietigd.

Uitspraak

06/3974 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 7 juni 2006, 05/3477 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
[betrokkene] (hierna: betrokkene),
en
appellant
Datum uitspraak: 2 maart 2007
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Namens betrokkene heeft mr. B.F. Desloover, advocaat te Rotterdam, een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 november 2006. Appellant was vertegenwoordigd door M.M.A. Landman en mr. M.M. de Boer-Veerman. Betrokkene was vertegenwoordigd door mr. B.F. Desloover.
II. OVERWEGINGEN
Onder verwijzing naar de aangevallen uitspraak voor een uitgebreide weergave van de feiten en omstandigheden die in dit geding van belang zijn, volstaat de Raad met het volgende.
Betrokkene, gedurende meer dan 38 uur per week werkzaam als agrarisch medewerkster, ontvangt sedert 17 juli 2001 een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.
Bij besluit van 14 juli 2005 heeft appellant – beslissend op bezwaar – de WAO-uitkering van betrokkene per 1 april 2005 ingetrokken, onder de overweging dat de mate van arbeidsongeschiktheid met ingang van die datum minder dan 15% was.
Het besluit van appellant rust mede op het bepaalde in artikel 9, aanhef en onder b, en artikel 10, eerste lid, onder a, van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten, zoals vastgesteld op 18 augustus 2004 en in werking getreden op 1 oktober 2004 (Stb. 2004, 434, hierna: Schattingsbesluit 2004), regelende kort samengevat de maximering van de urenomvang van de maatman bij de berekening van de resterende verdiencapaciteit op 38 uur per week.
Bij de aangevallen uitspraak is de rechtbank onder meer tot het oordeel gekomen dat de regeling van de maximering van de urenomvang van de maatman zoals opgenomen in het Schattingsbesluit 2004 verbindende kracht mist, zodat het op het Schattingsbesluit 2004 gebaseerde besluit van 14 juli 2005 niet in stand kan blijven.
De rechtbank heeft het door betrokkene tegen het besluit van 14 juli 2005 ingestelde beroep gegrond verklaard en het besluit van 14 juli 2005 vernietigd. Een en ander met nadere besluiten omtrent griffierecht en proceskosten.
In hoger beroep heeft appellant onder aanvoering van de in zijn beroepschrift opgesomde gronden bestreden het oordeel van de rechtbank dat de regeling van de maximering van de urenomvang van de maatman, zoals opgenomen in artikel 9, aanhef en onder b, en artikel 10, eerste lid, onder a, van het Schattingsbesluit 2004 verbindende kracht mist.
Betrokkene heeft zich achter het oordeel van de rechtbank geschaard.
De Raad deelt niet de opvatting van appellant. Naar het oordeel van de Raad is het Schattingsbesluit 2004 voor zover dit besluit in de artikelen 9 en 10 het beginsel van de feitelijke inkomstenderving verlaat onverbindend. Voor de overwegingen die aan dit oordeel ten grondslag liggen verwijst de Raad naar de aan deze uitspraak gehechte uitspraak van heden, nummer 06/2920 WAO.
Het hoger beroep van appellant slaagt mitsdien niet. De uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.
De Raad ziet aanleiding appellant te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep welke worden begroot op € 644,-.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak;
Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de door betrokkene wegens rechtsbijstand in hoger beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 644,-, aan betrokkene te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een griffierecht van
€ 428,- wordt geheven.
Deze uitspraak is gedaan door J. Janssen als voorzitter en J. Brand en I.M.J. Hilhorst-Hagen als leden. De uitspraak is, in tegenwoordigheid van M.C.T.M. Sonderegger als griffier, uitgesproken in het openbaar op 2 maart 2007.
(get.) J. Janssen.
(get.) M.C.T.M. Sonderegger.