ECLI:NL:CRVB:2007:BA0173

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
7 maart 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06-4078 ZW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:41 AwbArt. 6:8 AwbArt. 6:9 AwbArt. 6:11 AwbArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bezwaarschrift niet-ontvankelijk wegens te late indiening in sociale zekerheidszaak

Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van het Uwv dat hij vanaf 6 december 2004 geen recht meer heeft op ziekengeld omdat hij niet langer arbeidsongeschikt wordt geacht.

Het bezwaar werd door het Uwv niet-ontvankelijk verklaard omdat het bezwaarschrift niet binnen de wettelijke termijn was ingediend. De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep ongegrond, waarbij werd overwogen dat de indiener verantwoordelijk is voor tijdige indiening en de bewijslast bij hem ligt.

In hoger beroep voerde appellant aan dat de bewijslast ten onrechte bij hem lag, omdat hij geen ontvangstbevestiging had en de ontvanger zich niets kon herinneren. De Raad oordeelde echter dat het bezwaarschrift niet tijdig was ontvangen en dat appellant onvoldoende bewijs had geleverd voor tijdige indiening.

De Raad stelde vast dat de termijn voor bezwaar liep van 9 tot 22 december 2004, maar het bezwaarschrift pas op 23 december 2004 werd ontvangen. Appellant had de mogelijkheid om het bezwaar aangetekend te versturen om bewijs van tijdige verzending te verkrijgen, maar had dit niet gedaan.

Daarom bevestigde de Raad de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk, waardoor het hoger beroep werd afgewezen.

Uitkomst: Het bezwaar is niet-ontvankelijk verklaard wegens te late indiening en het hoger beroep wordt afgewezen.

Uitspraak

06/4078 ZW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 19 juni 2006, 05/1087 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituutwerknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 7 maart 2007
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 januari 2007. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H. van Wijngaarden.
II. OVERWEGINGEN
De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
Bij besluit van 8 december 2004 heeft het Uwv aan appellant meegedeeld dat hij op en na 6 december 2004 niet (meer) wegens ziekte of gebreken ongeschikt wordt geacht tot het verrichten van zijn arbeid en dat hij met ingang van die datum geen recht (meer) heeft op ziekengeld.
Appellant heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt met een bezwaarschrift gedateerd
21 december 2004.
Bij besluit van 14 februari 2005 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet tijdig indienen van het bezwaarschrift.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarbij in aanmerking genomen dat degene die bezwaar instelt verantwoordelijk is voor het tijdig indienen daarvan en dat bij twijfel over het tijdstip van indienen de bewijslast bij hem ligt.
In hoger beroep heeft appellant zich op het standpunt gesteld dat ten onrechte de bewijslast bij hem wordt gelegd. Nu hij geen ontvangstbevestiging heeft gekregen en degene die het bezwaarschrift in ontvangst zou hebben genomen zich niets meer weet te herinneren, wordt voor appellant het bewijzen onmogelijk.
De Raad overweegt het volgende.
De Raad stelt vast dat het besluit van 8 december 2004 door het Uwv op de in artikel 3:41, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voorgeschreven wijze bekend is gemaakt door toezending aan het adres van appellant. Gelet op artikel 75k van de Ziektewet in samenhang met artikel 6:8 van Pro de Awb ving de termijn om bezwaar te maken aan op 9 december 2004 en eindigde op 22 december 2004.
In artikel 6:9, eerste lid, van de Awb is bepaald dat een bezwaarschrift tijdig is ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen.
Het Uwv stelt zich op het standpunt dat het bezwaarschrift eerst op 23 december 2004 is ontvangen, welke stelling wordt ondersteund door het stempel op de zich in het dossier bevindende envelop. Voor de juistheid van de stelling van appellant dat hij het bezwaarschrift binnen de bezwaartermijn persoonlijk aan verzekeringsarts V.K. Ramautar zou hebben overhandigd of in de brievenbus zou hebben gedeponeerd, bieden de gedingstukken geen steun. Appellant heeft geen ontvangstbevestiging gevraagd en is er verder niet in geslaagd om aan te tonen op welke wijze het bezwaarschrift is aangeboden.
Ten aanzien van de grief dat de bewijslast ten onrechte bij appellant zou zijn gelegd overweegt de Raad dat appellant de mogelijkheid heeft gehad zijn bezwaarschrift per aangetekende post of post met ontvangstbevestiging te verzenden waarmee hij zich van een bewijs van tijdige verzending had kunnen verzekeren.
Gelet op het vorenstaande stelt de Raad vast dat het bezwaarschrift niet binnen de wettelijke termijn is ingediend.
In artikel 6:11 van Pro de Awb is bepaald dat ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege blijft indien redelijkerwijs niet geoordeeld kan worden dat de indiener in verzuim is geweest.
Van redenen als bedoeld in artikel 6:11 van Pro de Awb is de Raad niet gebleken.
Gelet op het vorenstaande is de Raad van oordeel dat het Uwv het bezwaar van appellant terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Dit betekent dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door M.C. Bruning als voorzitter en M.C.M. van Laar en E. Dijt als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.J. Janssen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 7 maart 2007.
(get.) M.C. Bruning.
(get.) J.J. Janssen.
JL