ECLI:NL:CRVB:2007:BA0506
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- G.J.H. Doornewaard
- J. Brand
- J.P.M. Zeijen
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit gedeeltelijke WAO-uitkering wegens onvoldoende arbeidskundige onderbouwing
Appellant maakte bezwaar tegen het besluit van het UWV om hem per 21 augustus 2001 een WAO-uitkering toe te kennen op basis van een arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%. De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep ongegrond, maar appellant ging in hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep.
De Raad oordeelde dat de rechtbank terecht de medische beperkingen van appellant niet uitgebreid had besproken, omdat deze voldoende waren onderbouwd met medische rapportages van verzekeringsartsen en externe specialisten. Wel stelde de Raad vast dat de lichamelijke beperkingen, met name knieklachten, onvoldoende waren onderzocht en onderbouwd door het UWV.
Daarnaast concludeerde de Raad dat de arbeidskundige grondslag van het besluit niet deugdelijk was, omdat in het besluit niet was ingegaan op de overschrijding van de maximale belastbaarheid in de voor appellant voorgelegde functies. De Raad vernietigde het besluit en bepaalde dat het UWV een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van de overwegingen in deze uitspraak.
Tot slot veroordeelde de Raad het UWV in de proceskosten van appellant in zowel eerste aanleg als hoger beroep en bepaalde dat het betaalde griffierecht wordt vergoed.
Uitkomst: Het besluit tot toekenning van een gedeeltelijke WAO-uitkering wordt vernietigd en het UWV wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.