ECLI:NL:CRVB:2007:BA0720
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.C. Bruning
- M.C.M. van Laar
- E. Dijt
- Rechtspraak.nl
Beëindiging ziekengeld na bevalling wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante, werkzaam als kinderleidster, meldde zich ziek met buikklachten en beviel op 19 augustus 2001. Na een onderzoek door verzekeringsarts Lentjes op 12 oktober 2001 werd geconcludeerd dat zij niet arbeidsongeschikt was ten gevolge van de bevalling en op 28 oktober 2001 weer aan het werk kon.
Op 29 oktober 2001 viel appellante uit met klachten van rugpijn en bekkeninstabiliteit. Latere medische onderzoeken en rapporten van verzekeringsartsen en een psycholoog concludeerden dat deze klachten niet zodanig waren dat zij ongeschikt was voor haar werk en dat psychische klachten niet in verband stonden met zwangerschap of bevalling.
Appellante voerde aan dat het eerdere onderzoek niet maatgevend was en dat er geen medisch onderzoek had plaatsgevonden naar haar uitval. De Raad verwierp dit omdat de klachten wel waren onderzocht en er geen objectieve medische gegevens waren die het oordeel van de verzekeringsartsen tegenspraken.
De Raad liet ingediende stukken na de termijn buiten beschouwing en vond geen aanleiding de eerdere besluiten te wijzigen. De aangevallen uitspraak van de rechtbank Amsterdam werd bevestigd en een proceskostenveroordeling werd niet toegewezen.
Uitkomst: Het beroep van appellante wordt ongegrond verklaard en het recht op ziekengeld wordt beëindigd per 29 oktober 2001.