ECLI:NL:CRVB:2007:BA1318
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- H.G. Rottier
- M.C.M. van Laar
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen herziening WAO-uitkering en weigering Ziektewet-uitkering
Appellant, met een WAO-uitkering wegens long- en psychische klachten, werd in 2003 herzien naar een lagere mate van arbeidsongeschiktheid op basis van medisch onderzoek en arbeidskundige beoordeling. Hij stelde dat het onderzoek onvoldoende zorgvuldig was en dat zijn belastbaarheid werd overschat. De Raad oordeelde dat het medisch onderzoek en de arbeidskundige motivering toereikend waren en dat de bezwaren onvoldoende onderbouwd werden.
Daarnaast werd een verdere uitkering ingevolge de Ziektewet geweigerd omdat appellant geschikt werd geacht voor ten minste één van de functies die bij de WAO-schatting waren vastgesteld. Ook dit besluit werd door de Raad bevestigd, ondanks de door appellant aangevoerde bijwerkingen van medicatie.
De Centrale Raad vernietigde het bestreden besluit tot herziening van de WAO-uitkering wegens onvoldoende motivering in eerste aanleg, maar liet de rechtsgevolgen van dat besluit in stand. Tevens bevestigde de Raad de weigering van de Ziektewet-uitkering en veroordeelde het UWV tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: Het bestreden besluit tot herziening van de WAO-uitkering wordt vernietigd met in standhouding van de rechtsgevolgen, en de weigering van de Ziektewet-uitkering wordt bevestigd.