[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 20 juli 2005, 04/5141 (hierna: aangevallen uitspraak),
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College)
Datum uitspraak: 20 maart 2007
Namens appellante heeft mr. R.A. van Heijningen, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.
Het College heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 juni 2006. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Van Heijningen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door B. Bos, werkzaam bij de gemeente Amsterdam.
De Raad heeft het onderzoek ter zitting geschorst teneinde het College in de gelegenheid te stellen appellante opnieuw medisch te doen onderzoeken. In de rapportage medisch advies en de rapportage psychologisch advies, beide van 16 juni 2006, zijn de onderzoeksresultaten neergelegd. Voorts heeft het College een besluit van 22 juni 2006 ingezonden. Op 14 september 2006 heeft de Raad een schriftelijke reactie van appellante ontvangen.
Partijen hebben vervolgens toestemming gegeven de nadere zitting achterwege te laten, waarna de Raad het onderzoek heeft gesloten.
Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.
Aan appellante is een bijstandsuitkering toegekend. In maart 2002 is appellante volledig arbeidsongeschikt verklaard. Bij besluit van 7 juli 2004 heeft het College, na medisch en aanvullend arbeidskundig onderzoek, de arbeidsverplichtingen van appellante aangepast, in die zin dat zij dient te solliciteren naar werk gedurende 20 uren (5 dagdelen) per week.
Bij besluit van 9 september 2004 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 7 juli 2004 ongegrond verklaard.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 9 september 2004 ongegrond verklaard. Daarbij is onder meer overwogen dat uit de stukken blijkt dat de keuringsarts rekening heeft gehouden met de beperkingen van appellante. Zonder nadere medische onderbouwing van de zijde van appellante kan naar het oordeel van de rechtbank niet tot de conclusie worden gekomen dat op onzorgvuldige wijze geen of te weinig rekening is gehouden met die beperkingen.
Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
De Raad ziet zich bij zijn beoordeling, ambtshalve, gesteld voor de vraag of appellante nog (proces)belang heeft bij een beoordeling door de Raad van de juistheid van aangevallen uitspraak. In dit verband is het volgende van belang.
Blijkens het besluit van 22 juni 2006 heeft het College appellante op basis van artikel 9, tweede lid, van de Wet werk en bijstand (hierna: WWB) tot 16 juni 2007 ontheven van de verplichtingen, bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de WWB. Ter zitting is door appellante desgevraagd medegedeeld dat zij tot op heden niet is gesanctioneerd wegens het niet nakomen van die verplichtingen. Voorts is ter zitting gebleken dat een sanctie ter zake van de afgesloten periode tot 22 juni 2006 door het College niet wordt overwogen. Nu appellante ook niet om veroordeling tot schadevergoeding heeft verzocht, brengt het voorgaande mee dat geen sprake - meer - is van procesbelang.
Gelet op het vorenstaande dient het hoger beroep niet-ontvankelijk te worden verklaard.
De Raad ziet, nu het College in het besluit van 22 juni 2006 hangende hoger beroep gedeeltelijk tegemoet is gekomen aan appellante, namelijk voor zover het de periode tot 16 juni 2007 betreft, aanleiding om het College te veroordelen in de proceskosten van appellante in hoger beroep, begroot op € 644,-- voor verleende rechtsbijstand. Tevens ziet de Raad hierin aanleiding om te bepalen dat het in hoger beroep betaalde griffierecht dient te worden vergoed.
De Centrale Raad van Beroep;
Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
Veroordeelt het College in de proceskosten van appellante in hoger beroep tot een bedrag van € 644,--, te betalen door de gemeente Amsterdam;
Bepaalt dat de gemeente Amsterdam aan appellante het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 103,-- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door T.G.M. Simons als voorzitter en J.M.A. van der Kolk-Severijns en R.M. van Male als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Renden als griffier, uitgesproken in het openbaar op 20 maart 2007.