ECLI:NL:CRVB:2007:BA1847

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
20 maart 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
05/6475 BZ
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:73 AwbAlgemene wet bestuursrechtBesluit bijstandverlening zelfstandigenAlgemene bijstandswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep afgewezen wegens ontbreken van belang na beëindiging bedrijf

Appellant verzocht het College van burgemeester en wethouders van Deventer om een aanvullend bedrijfskrediet van €4.000, maar dit werd afgewezen op advies van het IMK vanwege gebrek aan vertrouwen in de levensvatbaarheid van het bedrijf.

De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze afwijzing ongegrond. Appellant ging in hoger beroep, maar gaf later aan dat hij zijn bedrijf per 19 oktober 2004 had beëindigd.

De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat appellant geen rechtens te respecteren belang meer had bij de beoordeling van het besluit, aangezien het bedrijf niet meer bestaat en er geen schadevergoeding werd gevorderd. Daarom werd het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard.

De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 20 maart 2007.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van belang na beëindiging van het bedrijf.

Uitspraak

05/6475 BZ
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 30 september 2005, 05/115 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Deventer (hierna: College)
Datum uitspraak: 20 maart 2007
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Het College heeft een verweerschrift ingediend.
Bij brief van 1 december 2006 heeft appellant de Raad desgevraagd nadere informatie verstrekt.
Met toestemming van partijen heeft de Raad vervolgens bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft.
II. OVERWEGINGEN
De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
In verband met de start van een advies- en administratiekantoor voor personeels-informatie heeft het College bij een tweetal besluiten van 27 maart 2003 op basis van een advies van het IMK Intermediair (hierna: IMK) van 13 maart 2003 aan
appellant op grond van de Algemene bijstandswet (Abw) en het Besluit bijstand-verlening zelfstandigen (hierna: Bbz) voor de periode van 1 april 2003 tot en met 30 september 2003 algemene bijstand toegekend naar de gehuwdennorm, alsmede bijstand ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal tot een bedrag van € 21.437,33. Bij besluiten van 27 oktober 2003 en 16 april 2004 is op grond van de Abw en het Bbz en (vanaf 1 januari 2004) op grond van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (Bbz 2004), vervolgens nog algemene bijstand toegekend voor de perioden van 1 oktober 2003 tot en met 31 maart 2004 en van 1 april 2004 tot en met 30 september 2004.
Naar aanleiding van een aanvraag van appellant van 22 januari 2004 om verstrekking van een aanvullend bedrijfskrediet van € 4.000,-- heeft het College het IMK verzocht opnieuw advies uit te brengen. Op 9 juni 2004 en 27 augustus 2004 heeft het IMK geadviseerd om geen aanvullende financiering te verstrekken, omdat er geen vertrouwen meer is in een levensvatbare exploitatie van het bedrijf, aangezien appellant nog immer geen concrete contacten heeft die tot mogelijke opdrachten zouden kunnen leiden.
Op grond van deze adviezen heeft het College de aanvraag van appellant bij besluit van 1 september 2004, gehandhaafd na bezwaar bij besluit van 20 december 2004, afgewezen.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 20 december 2004 ongegrond verklaard.
Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.
Bij zijn in rubriek I vermelde brief van 1 december 2006 heeft appellant meegedeeld dat hij zijn bedrijf per 19 oktober 2004 heeft moeten beëindigen.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Nu vaststaat dat het bedrijf van appellant inmiddels geruime tijd is opgeheven, terwijl appellant geen schadevergoeding heeft gevorderd als bedoeld in artikel 8:73 van Pro de Algemene wet bestuursrecht, en ook overigens niet is gebleken van enig tot zijn persoon te herleiden procesbelang, brengt dat mee dat appellant thans geen rechtens te respecteren belang meer heeft bij een beoordeling ten gronde van het besluit van 20 december 2004.
Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en J.J.A. Kooijman en J.N.A. Bootsma als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.N. Rijnsewijn als griffier, uitgesproken in het openbaar op 20 maart 2007.
(get.) R.H.M. Roelofs.
(get.) P.N. Rijnsewijn.