ECLI:NL:CRVB:2007:BA1940
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- E. Dijt
- P.J. Stolk
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering ziekengeld wegens niet-arbeidsongeschiktheid per 10 mei 1994
Appellant, voormalig tuinbouwmedewerker, meldde zich op 2 mei 1994 ziek vanwege klachten aan de linkerpols. Het UWV stelde na een second opinion vast dat appellant vanaf 10 mei 1994 niet arbeidsongeschikt was. Appellant verzocht meerdere malen om een ziekengelduitkering, maar dit werd geweigerd. De rechtbank Rotterdam vernietigde aanvankelijk het besluit van het UWV, maar na een nieuwe beslissing op bezwaar bleef het UWV bij haar standpunt.
De Centrale Raad van Beroep toetste het bestreden besluit en stelde vast dat de medische rapporten, waaronder die van de bezwaarverzekeringsarts, voldoende onderbouwing boden voor het oordeel dat appellant zijn werkzaamheden kon verrichten zonder beperking door zijn polsklachten. De Raad vond geen aanwijzingen dat de belastbaarheid van appellant was overschat en oordeelde dat het medisch oordeel niet uitsluitend op dossierstudie was gebaseerd.
De Raad bevestigde daarmee de uitspraak van de rechtbank en verwierp het beroep van appellant. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De beslissing werd genomen door een meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 28 maart 2007.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant vanaf 10 mei 1994 niet arbeidsongeschikt was en geen recht had op ziekengeld.