ECLI:NL:CRVB:2007:BA2298
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- C.W.J. Schoor
- H.G. Rottier
- C.P.M. van de Kerkhof
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen toekenning WAO-uitkering wegens onvoldoende motivering medische en arbeidskundige gronden
Appellante maakte bezwaar tegen de toekenning van een WAO-uitkering aan een werknemer die sinds 29 januari 2001 met psychische klachten uitviel. Het UWV kende de uitkering toe met ingang van 13 februari 2002, gebaseerd op een arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80%. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar appellante stelde in hoger beroep dat de wachttijd niet was vervuld en dat onvoldoende was gemotiveerd waarom functies met een hogere beloning niet werden meegenomen.
De Raad overwoog dat het UWV terecht zelfstandig oordeelde over de vervulling van de wachttijd, maar dat de medische onderbouwing onvoldoende zorgvuldig en gemotiveerd was, mede omdat de bezwaarverzekeringsarts het commentaar van de arts-gemachtigde niet aan de deskundigen had voorgelegd. Ook de arbeidskundige motivering voldeed niet aan de eisen van artikel 7:12 Awb Pro.
De Centrale Raad vernietigde het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank en bepaalde dat het UWV een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. Tevens werd het UWV veroordeeld in de proceskosten van appellante.
Uitkomst: Het bestreden besluit tot toekenning van de WAO-uitkering wordt vernietigd en het UWV moet een nieuw besluit nemen.