ECLI:NL:CRVB:2007:BA2333
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- H.G. Rottier
- E. Dijt
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering ziekengeld wegens geschiktheid voor matig belastbaar werk
Appellante, werkzaam als schoonmaakster, werd wegens rugklachten eind februari 2001 ongeschikt voor haar werk verklaard. Na de wachttijd werd geen WAO-uitkering toegekend omdat zij geschikt werd geacht voor fysiek matig belastend werk. In 2003 meldde zij zich ziek wegens rugklachten tijdens een WW-uitkering. De verzekeringsarts achtte haar hersteld per 22 maart 2004, waarna het recht op ziekengeld werd beëindigd.
Appellante maakte bezwaar tegen dit besluit, maar de bezwaarverzekeringsarts bevestigde het oordeel van de primaire arts. De rechtbank Leeuwarden verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat appellante in staat was om algemeen geaccepteerde arbeid te verrichten, gebaseerd op functies geselecteerd bij de WAO-schatting.
De Centrale Raad van Beroep onderschreef dit oordeel en hechtte vooral belang aan het rapport van de bezwaarverzekeringsarts van 23 april 2004. De aanvullende medische informatie van een orthopedisch chirurg uit 2005 wijzigde dit oordeel niet. De Raad bevestigde daarom de weigering van ziekengeld en zag geen aanleiding tot proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van ziekengeld omdat appellante geschikt wordt geacht voor matig belastbaar werk.