ECLI:NL:CRVB:2007:BA2398
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.S.E. Wulffraat-van Dijk
- M.C. Bruning
- M.C.M. van Laar
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit UWV over verlaging WAO-uitkering met instandhouding rechtsgevolgen
Appellante maakte bezwaar tegen het besluit van het UWV om haar WAO-uitkering te verlagen van een arbeidsongeschiktheidspercentage van 80-100% naar 15-25%. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarna appellante hoger beroep instelde bij de Centrale Raad van Beroep. De Raad stelde vast dat de arbeidsdeskundige functies had vastgesteld die passend zouden zijn voor appellante en dat de medische beoordeling zorgvuldig was uitgevoerd, inclusief rapportages van de bezwaarverzekeringsarts en aanvullende medische informatie.
De Raad oordeelde dat de motivering van het besluit in eerste aanleg onvoldoende was, omdat de gewenste onderbouwing pas in de beroepsfase werd gegeven. Daarom werd het bestreden besluit vernietigd, maar de rechtsgevolgen bleven met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb in stand. Tevens veroordeelde de Raad het UWV tot betaling van de proceskosten van appellante in eerste aanleg en hoger beroep.
Het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen omdat niet was gebleken van schade die op grond van artikel 8:73 Awb Pro voor vergoeding in aanmerking kwam. Daarnaast bepaalde de Raad dat het UWV het betaalde griffierecht aan appellante moest vergoeden. De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 28 maart 2007.
Uitkomst: Het besluit van het UWV tot verlaging van de WAO-uitkering wordt vernietigd, maar de rechtsgevolgen blijven in stand en het UWV wordt veroordeeld tot betaling van proceskosten.