ECLI:NL:CRVB:2007:BA2793
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- E. Dijt
- P.J. Stolk
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking WAO-uitkering en beëindiging ziekengeld wegens gebrek aan medische onderbouwing arbeidsongeschiktheid
Appellant, werkzaam als kwaliteitsmedewerker, raakte arbeidsongeschikt na een motorongeval in maart 2000 met een contusio cerebri. Na een initiële WAO-uitkering van 80-100% arbeidsongeschiktheid, verbeterde zijn toestand volgens een herbeoordeling in 2002 aanzienlijk, waarna zijn WAO-uitkering werd ingetrokken en hij een dienstverband als salescoördinator aanging.
In november 2002 meldde appellant zich ziek met concentratiestoornissen en vermoeidheid. Na medisch onderzoek en het afwachten van aanvullende informatie werd geconcludeerd dat er geen medische verklaring was voor deze klachten en dat appellant per 6 mei 2003 hersteld was. Het Uwv beëindigde daarop het ziekengeld en verklaarde bezwaar ongegrond. Ook een daaropvolgend beroep bij de rechtbank werd afgewezen.
Appellant stelde dat er sprake was van een verergering van zijn klachten vanaf november 2002 en dat dit een toekenning van een WAO-uitkering rechtvaardigde. De Raad oordeelde echter dat de medische rapporten, waaronder die van specialisten en het revalidatiecentrum Groot Klimmendaal, onvoldoende bewijs boden voor een toename van beperkingen of arbeidsongeschiktheid na genoemde data.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarom de eerdere uitspraken en concludeerde dat appellant op en na 6 mei 2003 niet langer arbeidsongeschikt was voor zijn werk als salescoördinator en dat vanaf 4 november 2002 geen sprake was van een toename van medische beperkingen die een WAO-uitkering rechtvaardigen.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking van de WAO-uitkering en beëindiging van het ziekengeld wegens het ontbreken van een medisch objectief vastgestelde arbeidsongeschiktheid.