ECLI:NL:CRVB:2007:BA2797
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- G.A.J. van den Hurk
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- J.J.A. Kooijman
- Rechtspraak.nl
Beoordeling recht op bijstand bij verblijf echtgenoot in het buitenland
Betrokkene en haar echtgenoot ontvingen bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). De echtgenoot verbleef van januari tot april 2004 in het buitenland, waarna de gemeente de bijstand stopzette wegens het overschrijden van de vier weken verblijf in het buitenland. Betrokkene vroeg vervolgens bijstand aan als alleenstaande ouder, maar deze aanvraag werd afgewezen wegens onvoldoende informatie over haar financiële situatie.
De rechtbank vernietigde de besluiten van de gemeente en oordeelde dat er onvoldoende feitelijke grondslag was voor de stelling dat betrokkene haar inlichtingenverplichting had geschonden. De Centrale Raad van Beroep bevestigt dit oordeel en stelt dat betrokkene voldoende informatie heeft verstrekt over het verblijf en de financiële situatie van haar echtgenoot.
De Raad benadrukt dat het recht op bijstand aan echtgenoten gezamenlijk toekomt, tenzij zij duurzaam gescheiden leven, wat hier niet het geval was. De gemeente had onvoldoende bewijs dat de echtgenoot inkomen of vermogen had dat bij de bijstandsbepaling in aanmerking genomen moest worden.
De Raad veroordeelt de gemeente in de proceskosten van betrokkene en bevestigt de vernietiging van de besluiten die de bijstand stopzetten en de aanvraag afwezen. Het besluit van de rechtbank wordt daarmee bekrachtigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de gemeente onvoldoende grond had om de bijstand te weigeren en veroordeelt de gemeente in de proceskosten.