ECLI:NL:CRVB:2007:BA2890

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
4 april 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
05-2069 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 18 WAOArt. 3:2 AwbArt. 7:12 AwbArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering WAO-uitkering wegens ontbreken medisch objectiveerbare arbeidsongeschiktheid

Appellante viel uit haar werk als beleidsmedewerkster ruimtelijke ordening na een fietsongeluk op 11 januari 2001. Het UWV weigerde haar per 14 januari 2002 een WAO-uitkering toe te kennen op basis van medische beoordelingen waarin geen medisch objectiveerbare beperkingen werden vastgesteld.

De rechtbank vernietigde het bestreden besluit wegens procedurele fouten maar liet de rechtsgevolgen in stand, stellende dat de medische rapporten geen indicatie gaven voor arbeidsongeschiktheid op de datum einde wachttijd. Appellante leverde aanvullend neuroloog- en psychologisch rapport, maar deze betroffen een latere periode en konden de conclusie niet wijzigen.

De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het UWV terecht het besluit baseerde op medische beoordelingen die geen objectieve ziekte of gebrek vaststelden. Er was geen aanleiding voor een arbeidsdeskundig onderzoek. De Raad bevestigt daarom het aangevallen vonnis en wijst het hoger beroep af.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WAO-uitkering per datum einde wachttijd wegens ontbreken van medisch objectiveerbare arbeidsongeschiktheid.

Uitspraak

05/2069 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam, van 10 februari 2005, 04/2349, (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 4 april 2007
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. E.A.M. Ammerlaan, werkzaam bij D.A.S. Nederlandse Rechtsbijstands Verzekeringsmaatschappij N.V. te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 februari 2007. Appellante is met kennisgeving niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R. Sowka.
II. OVERWEGINGEN
Appellante is op 12 januari 2001 uitgevallen voor haar werkzaamheden als beleidsmedewerkster ruimtelijke ordening vanwege een ongeval met haar fiets op 11 januari 2001.
Bij besluit van 26 maart 2003 (hierna: bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 14 februari 2002 ongegrond verklaard, waarbij het Uwv heeft geweigerd om appellante met ingang van 14 januari 2002 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toe te kennen. Deze besluiten berusten op een medische beoordeling vastgelegd in het rapport van verzekeringsarts K.C. Rammeloo van 29 januari 2002 en een rapport van bezwaarverzekeringsarts A.M. Schutte van 9 december 2002. Het niet volledig kunnen reproduceren van het laatstgenoemde rapport door het Uwv heeft er toe geleid dat de rechtbank het bestreden besluit wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft vernietigd.
De rechtbank heeft de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand gelaten en heeft vastgesteld dat verzekeringsarts Rammeloo kennis heeft genomen van de pijn- en vermoeidheidsklachten, het concentratieverlies en de klachten van appellante met betrekking tot de tintelingen in haar vingers en dat bezwaarverzekeringsarts J.J. Nasheed-Linssen zich met de conclusies van verzekeringsarts Rammeloo kan verenigen. Uit de door appellante overgelegde informatie van neuroloog W.G. Strack van Schijndel-van Hanswijk van 27 april 2004 en de informatie van psycholoog R. Barkai van 12 januari 2004 volgt naar het oordeel van de rechtbank niet dat appellante op de datum in geding niet in staat was haar werk te verrichten. Volgens de rechtbank heeft deze informatie betrekking op het jaar 2003, een periode gelegen ruim na de datum in geding.
Appellante kan zich niet verenigen met de uitspraak van de rechtbank en het standpunt van het Uwv dat zij per datum einde wachttijd geschikt zou zijn voor haar eigen werk.
De rechtsgevolgen van het bestreden besluit zijn volgens haar door de rechtbank ten onrechte in stand gelaten omdat het medische onderzoek onzorgvuldig is, haar beperkingen onjuist zijn vastgesteld en de belastbaarheid van haar werk niet voldoende is onderzocht.
De Raad oordeelt als volgt.
Ter zitting van de Raad heeft het Uwv bevestigd dat de grondslag van de weigering van de arbeidsongeschiktheidsuitkering is gelegen in de medische beoordeling door de verzekeringsarts die op en na het einde van de wachttijd geen medisch objectiveerbare beperkingen heeft kunnen vaststellen en appellante zodoende met ingang van 14 januari 2002 niet als gevolg van ziekte of gebrek arbeidsongeschikt is in de zin van artikel 18 van Pro de WAO.
Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat het bestreden besluit op een juiste grondslag berust. De Raad verwijst naar de overwegingen van de rechtbank op dit punt en merkt daarnaast op dat appellante na haar ongeval op 11 januari 2001 door haar huisarts niet is verwezen naar een specialist en uit het dagverhaal van appellante geen bijzonderheden naar voren komen die wijzen op arbeidsongeschiktheid ten tijde van de datum hier in geding. Ook de overige door appellante aangegeven klachten kunnen volgens de Raad op grond van de medische gegevens niet leiden tot het vaststellen van ziekte of gebrek in de zin van de WAO.
Aangezien het Uwv op goede gronden per einde wachttijd geen medisch objectiveerbaar ziekte of gebrek heeft vastgesteld, was er geen aanleiding voor een arbeidsdeskundig onderzoek.
Uit het vorenstaande volgt dat de Raad de aangevallen uitspraak, voorzover aangevochten, bevestigt.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Awb.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en H.G. Rottier en E. Dijt als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A. van Netten als griffier, uitgesproken in het openbaar op 4 april 2007.
(get.) Ch. van Voorst.
(get.) A. van Netten.
GdJ