ECLI:NL:CRVB:2007:BA2971
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- T. Hoogenboom
- C.P.J. Goorden
- B.M. van Dun
- Rechtspraak.nl
Weigering WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid ondanks gezondheidsklachten
Appellant was sinds 2001 werkzaam als industrieel spuiter en viel in augustus 2004 uit wegens schouderklachten. Na beëindiging van zijn dienstverband per 1 december 2004 vroeg hij een WW-uitkering aan, die door het UWV werd geweigerd wegens verwijtbare werkloosheid. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarna appellant in hoger beroep ging bij de Centrale Raad van Beroep.
De Raad oordeelde dat het UWV voldoende onderzoek had gedaan en dat appellant, ondanks zijn gezondheidsproblemen, niet voldoende had onderbouwd dat voortzetting van het dienstverband redelijkerwijs niet van hem kon worden gevergd. Gezien medische adviezen en het feit dat appellant tussen ziekteperioden werkte, was het standpunt van het UWV dat appellant verwijtbaar werkloos was geworden, juist.
Daarnaast werd vastgesteld dat het UWV de besluitvorming onzorgvuldig had gesplitst, waardoor het eerdere bezwaar niet correct was behandeld. De Raad vernietigde daarom de eerdere uitspraak en het bestreden besluit, maar liet de rechtsgevolgen van het besluit in stand. Tevens werd appellant het betaalde griffierecht vergoed.
Uitkomst: De weigering van de WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid wordt bevestigd ondanks gezondheidsklachten.