AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Bevestiging uitspraak over WW-uitkering na vernietiging ontslagbesluit gemeente Deventer
Betrokkene is eervol ontslagen door het college van de gemeente Deventer wegens opheffing van zijn functie. Naar aanleiding van dit ontslag vroeg betrokkene een WW-uitkering aan, die door het UWV werd geweigerd wegens verwijtbare werkloosheid, omdat betrokkene onvoldoende inspanning zou hebben geleverd om zijn Nederlandse taalvaardigheid te verbeteren en daardoor herplaatsing mogelijk was geweest.
De rechtbank oordeelde dat betrokkene verwijtbaar werkloos was, maar dat sprake was van verminderde verwijtbaarheid, waardoor het UWV het uitkeringspercentage had moeten verlagen in plaats van de uitkering geheel te weigeren. Betrokkene en het UWV gingen in hoger beroep tegen deze uitspraak.
De Centrale Raad van Beroep vernietigde het ontslagbesluit van het college en oordeelde dat daardoor de grondslag voor het bezwaarbesluit van het UWV was komen te vervallen, omdat betrokkene niet werkloos was geworden in de zin van de WW. De Raad bevestigde de aangevallen uitspraak van de rechtbank, met de kanttekening dat het UWV een nieuwe beslissing op bezwaar moet nemen met inachtneming van de overwegingen van de rechtbank.
Daarnaast veroordeelde de Raad het UWV tot betaling van proceskosten aan betrokkene. De uitspraak werd gedaan door de meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 5 april 2007.
Uitkomst: De Raad bevestigt de uitspraak en beveelt het UWV een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen, met veroordeling van het UWV in de proceskosten.
Uitspraak
05/3714 WW
05/4366 WW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op de hoger beroepen van:
[betrokkene], wonende te [woonplaats], (hierna: betrokkene),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: het Uwv),
tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 1 juni 2005, 04/1145 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
betrokkene
en
het Uwv
Datum uitspraak: 5 april 2007
I. PROCESVERLOOP
Partijen hebben hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft in het geding 05/4366 WW een verweerschrift ingediend.
Het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Deventer (hierna: het college) heeft te kennen gegeven niet aan de gedingen te willen deelnemen.
Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met het geding 05/3411 AW, tussen betrokkene en het college, plaats gevonden op 22 februari 2007. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. M.F. Kiers, advocaat te Deventer en door S. Sevuk Ömür. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C. van den Berg, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
Na de behandeling zijn de zaken gesplitst en wordt daarin afzonderlijk uitspraak gedaan.
II. OVERWEGINGEN
1. Het hier aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.
2. Voor de hier van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar zijn heden gewezen uitspraak 05/3411 AW in het geding tussen betrokkene en het college en naar de aangevallen uitspraak voor wat betreft de besluitvorming omtrent de door betrokkene gevraagde WW-uitkering. De Raad volstaat met het volgende.
2.1. Als gevolg van een reorganisatie is de functie van appellant bij de gemeente Deventer opgeheven. Bij besluit van 9 december 2003 heeft het college aan betrokkene met ingang van 1 januari 2004 eervol ontslag verleend wegens het verlies van een vereiste voor aanstelling. Het tegen dit ontslag gemaakte bezwaar is bij besluit van 27 april 2004, onder wijziging van de ontslaggrond en de ingangsdatum van het ontslag, ongegrond verklaard. In dit besluit is betrokkene met toepassing van artikel 8:4 vanPro de Arbeidsvoorwaarden-regeling Deventer (ARD) met ingang van 15 januari 2004 eervol ontslag verleend wegens opheffing van zijn betrekking, waarbij is overwogen dat het niet mogelijk is gebleken hem te herplaatsen in een passende functie.
2.2. In verband met dit ontslag heeft betrokkene een uitkering ingevolge de WW aangevraagd. Bij besluit van 3 februari 2004 is deze uitkering hem blijvend geheel geweigerd op de grond dat betrokkene verwijtbaar werkloos is geworden, aangezien hij zich bij zijn werkgever zo heeft gedragen dat hij behoorde te weten of kon weten dat ontslag zou volgen. Bij besluit van 4 augustus 2004 heeft het Uwv het bezwaarschrift van betrokkene tegen het besluit van 3 februari 2004 ongegrond verklaard. Het besluit op bezwaar is gebaseerd op het standpunt van het Uwv dat appellant ten onrechte geen gebruik heeft gemaakt van de hem geboden mogelijkheden zijn Nederlandse taalvaardigheid te vergroten en dat, indien hij dit wel zou hebben gedaan hij zeker herplaatst zou zijn bij een andere werkgever. Het Uwv heeft hierbij toepassing gegeven aan artikel 24, eerste lid, aanhef en onder a, van de WW in verbinding met het tweede lid, aanhef en onder a, van dit artikel.
3. De rechtbank is in de aangevallen uitspraak tot het oordeel gekomen dat betrokkene artikel 24, eerste lid, aanhef en onder a, van de WW in verbinding met het tweede lid, aanhef en onder a, van deze bepaling op zich van toepassing heeft doen worden doordat hij verwijtbaar tekort is geschoten in het onder de knie krijgen van de Nederlandse taal, waardoor hij het ontslag over zich heeft afgeroepen. Het besluit op bezwaar kon in haar ogen evenwel geen standhouden omdat het Uwv miskend heeft dat er in het geval van betrokkene sprake is van verminderde verwijtbaarheid, omdat het niet zo is dat betrokkene zich onvoldoende inspanning heeft getroost om de Nederlandse taal te leren in een situatie waarin concreet te voorzien was dat daardoor werkloosheid zou kunnen ontstaan. De rechtbank was dan ook van oordeel dat betrokkene het niet nakomen van de verplichting te voorkomen dat hij verwijtbaar werkloos wordt niet in overwegende mate kan worden verweten, zodat het Uwv op grond van artikel 27, eerste lid, van de WW had dienen te beslissen tot een verlaging van het uitkeringspercentage gedurende 26 weken van 70 naar 35.
4. Betrokkene is in hoger beroep gekomen en heeft als grief aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat hij verwijtbaar werkloos is. Het Uwv heeft in het door hem ingestelde hoger beroep de grief aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat er ten aanzien van betrokkene sprake is van verminderde verwijtbaarheid.
5. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd, overweegt de Raad het volgende.
5.1. De Raad overweegt in de eerste plaats dat tussen partijen niet in geschil is, en ook de Raad gaat daarvan uit, dat in de onderhavige gedingen betrokkenes aanspraak op een uitkering ingevolge de WW op 15 januari 2004 aan de orde is.
5.2. Voorts is de Raad van oordeel dat de rechtbank het besluit op bezwaar terecht heeft vernietigd, zij het op een andere grond dan de Raad van toepassing acht.
5.3. In zijn uitspraak van heden in het geding 05/3411 AW heeft de Raad het besluit van het college van 27 april 2004 vernietigd, voor zover daarbij met toepassing van artikel 8:4 vanPro de ARD met ingang van 15 januari 2004 eervol ontslag is verleend wegens opheffing van zijn betrekking en voorts het ontslagbesluit van 9 december 2003 herroepen. De Raad verwijst hier naar hetgeen hij daaromtrent in die uitspraak heeft overwogen. Door die uitspraak van de Raad is de grondslag komen te ontvallen aan het hier aan de orde zijnde besluit op bezwaar omdat thans vaststaat dat betrokkene met ingang van 15 januari 2004 niet werkloos is geworden in de zin van de WW en er derhalve geen grond was om de aangevochten maatregel op te leggen.
5.4. De aangevallen uitspraak komt, onder verbetering van gronden, voor bevestiging in aanmerking, behoudens voor zover het Uwv is opgedragen opnieuw op het bezwaar te beslissen met inachtneming van hetgeen de rechtbank heeft overwogen.
6. De Raad ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:75 vanPro de Algemene wet bestuursrecht, het Uwv te veroordelen in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van € 644,- wegens verleende rechtsbijstand in hoger beroep, alsmede tot een bedrag groot € 21,40 aan reiskosten in hoger beroep, derhalve in totaal € 665,40.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak, met dien verstande dat de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een nieuwe beslissing op het bezwaar dient te nemen met inachtneming van hetgeen de Raad in deze uitspraak heeft overwogen;
Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag van € 665,40, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de griffier van de Raad;
Bepaalt dat van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een griffierecht van
€ 428,- wordt geheven.
Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman als voorzitter en T. Hoogenboom en C.P.J. Goorden als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van R.A. Huizer als griffier, uitgesproken in het openbaar op 5 april 2007.