ECLI:NL:CRVB:2007:BA3302
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.C. Bruning
- M.C.M. van Laar
- E. Dijt
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit over blijvende gehele weigering ziekengeld wegens benadelingshandeling met verminderde verwijtbaarheid
Appellant was sinds januari 2002 werkzaam bij een bedrijf geleid door zijn broer en kampte vanaf juni 2002 met ernstige psychische klachten, wat leidde tot opname en gedeeltelijke werkhervatting. De arbeidsovereenkomst werd op initiatief van de werkgever per 17 maart 2003 met wederzijds goedvinden beëindigd, waarbij appellant instemde ondanks zijn psychische toestand.
Het UWV weigerde vanaf die datum ziekengeld wegens een benadelingshandeling, namelijk het instemmen met ontslag, zonder rekening te houden met verminderde verwijtbaarheid. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat appellant in staat was de gevolgen te overzien en het ontslag aan te vechten.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt anders: hoewel appellant verwijtbaar is, is er sprake van verminderde verwijtbaarheid vanwege zijn psychische klachten en de druk van de werkgever, mede door een bijzondere familieband. Daarom vernietigt de Raad het besluit en de uitspraak van de rechtbank en beveelt het UWV een nieuw besluit te nemen, waarbij een gedeeltelijke weigering van 30% van het ziekengeld passend kan zijn.
Daarnaast veroordeelt de Raad het UWV tot vergoeding van de proceskosten van appellant in eerste aanleg en hoger beroep.
Uitkomst: Het besluit tot blijvende gehele weigering van ziekengeld wordt vernietigd en het UWV dient een nieuw besluit te nemen met inachtneming van verminderde verwijtbaarheid.