ECLI:NL:CRVB:2007:BA3678
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling hardheidsclausule bij weigering vergoeding zittend ziekenvervoer
Appellant, met een chronische nier- en hartziekte, verzocht om vergoeding van zittend ziekenvervoer voor behandelingen in ziekenhuizen te Nijmegen en Veldhoven. Deze vergoeding werd door CZ geweigerd op basis van de Regeling ziekenvervoer Ziekenfondswet en het beleid dat een beroep op de hardheidsclausule slechts mogelijk acht bij vervoer ten minste tweemaal per week.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het beleid van CZ niet kennelijk onredelijk was en dat geen onbillijkheid van overwegende aard bestond. Appellant voerde aan dat het criterium van tweemaal per week subjectief is en dat de extra kosten van circa €500 per jaar een aanzienlijke inkomensachteruitgang betekenen.
De Raad oordeelde dat artikel 3 van Pro de Regeling geen discretionaire bevoegdheid aan het ziekenfonds verleent en dat het beleid van CZ te strikt is. De Raad stelde dat alle individuele omstandigheden moeten worden meegewogen, zoals ziektelast, behandeling, duur, frequentie, afstand, mantelzorg, vervoersvorm, financiële draagkracht en gezondheidseffecten.
Desondanks vond de Raad geen aanleiding om de hardheidsclausule toe te passen in dit geval, mede vanwege de beperkte financiële impact en het ontbreken van bewijs dat noodzakelijke behandelingen niet meer kunnen worden ondergaan. Het hoger beroep werd afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep van appellant wordt afgewezen en de weigering van vergoeding zittend ziekenvervoer bevestigd.