ECLI:NL:CRVB:2007:BA3682

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
18 april 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
05-676 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbWet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomenInvoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomenWet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging WAO-uitkeringsbesluit op basis van juiste arbeidsongeschiktheidsschatting

Appellant maakte bezwaar tegen het UWV-besluit waarin zijn WAO-uitkering werd vastgesteld op basis van een arbeidsongeschiktheidspercentage van 25 tot 35%. De rechtbank verklaarde het beroep aanvankelijk gegrond, maar deze uitspraak werd door de Centrale Raad van Beroep vernietigd en de zaak werd terugverwezen.

In de aangevallen uitspraak verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond. Appellant voerde in hoger beroep aan dat onvoldoende rekening was gehouden met zijn medische beperkingen, het progressieve ziektebeeld en de zwaarte van de functies, met name het dwingende werktempo, hand- en vingergebruik en omgevingstemperatuur.

De Raad overwoog dat de functies geen overschrijdingen vertoonden op het gebied van omgevingstemperatuur, dat de beperkingen met betrekking tot hand- en vingergebruik voldoende waren gemotiveerd en dat het dwingende werktempo slechts incidenteel voorkwam. De belastbaarheid van appellant werd als passend beoordeeld.

De Raad concludeerde dat het UWV de WAO-uitkering terecht had berekend naar de klasse van 25 tot 35% arbeidsongeschiktheid, gebaseerd op een verlies aan verdiencapaciteit van 32,86%. Er was geen aanleiding om artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht toe te passen. Het hoger beroep werd verworpen.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de WAO-uitkering terecht is vastgesteld op basis van een arbeidsongeschiktheidspercentage van 25 tot 35%.

Uitspraak

05/676 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Middelburg van 27 december 2004, 04/405 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 18 april 2007
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. J.J. Bronsveld, advocaat te Bergen op Zoom, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 maart 2007. Voor appellant is verschenen mr. P.R. Klaver, advocaat te Bergen op Zoom. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E.M. de Groot.
II. OVERWEGINGEN
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding het Uwv in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder het Uwv tevens verstaan het Lisv.
Het Uwv heeft bij besluit van 5 oktober 1999 aan appellant meegedeeld dat zijn uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) met ingang van 14 juni 1999 wordt berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%, nu er op 15 juni 1998 wel sprake was van toegenomen arbeidsongeschiktheid, maar deze toename op 14 juni 1999 niet voortduurde. Het bezwaar van appellant tegen het besluit van 5 oktober 1999 heeft het Uwv bij besluit van 31 oktober 2002 (het bestreden besluit) ongegrond verklaard. De rechtbank heeft bij uitspraak van 27 juni 2003 het beroep van appellant gegrond verklaard, het besluit van 31 oktober 2002 vernietigd en het bezwaar van appellant tegen het besluit van 5 oktober 1999 niet-ontvankelijk verklaard. De Raad heeft bij uitspraak van 18 mei 2004 de uitspraak van de rechtbank van 27 juni 2003 vernietigd en de zaak ter inhoudelijke behandeling teruggewezen naar de rechtbank. Bij de thans aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant ongegrond verklaard.
In hoger beroep heeft appellant zijn standpunt herhaald dat onvoldoende rekening is gehouden met de medische beperkingen van appellant, dat geen rekening is gehouden met zijn progressieve ziektebeeld en dat de aan hem voorgehouden functies te zwaar zijn. Meer expliciet heeft appellant aangevoerd dat alle functies een dwingend werktempo hebben, er bijzondere eisen worden gesteld aan hand- en vingergebruik en dat er problemen zijn met de omgevingstemperatuur.
De Raad overweegt als volgt.
De Raad kan zich volledig vinden in de conclusie van de rechtbank dat het door het Uwv gehanteerde belastbaarheidspatroon voor juist moet worden gehouden en verenigt zich zowel met die conclusie als met de daaraan ten grondslag liggende overwegingen. In hoger beroep heeft appellant geen nadere medische informatie in geding gebracht op grond waarvan de Raad wellicht tot een andere afweging zou hebben moeten komen. De Raad merkt daarbij nog op dat bij een progressief ziektebeeld de beperkingen in de loop der tijd kunnen toenemen, hetgeen zou kunnen leiden tot een toename van de mate van arbeidsongeschiktheid. Ter beoordeling staat thans echter de situatie per 14 juni 1999 en niet is aannemelijk geworden dat de medische toestand van appellant als gevolg van de progressieve aandoening reeds op
14 juni 1999 in relevante mate was verslechterd.
Ten aanzien van de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit overweegt de Raad dat in de functies geen overschrijdingen op het aspect van de omgevingstemperatuur voorkomen, dat de mogelijke overschrijdingen met betrekking tot hand- en vingergebruik afdoende zijn gemotiveerd, dat in de functies slechts sprake is van een incidenteel dwingend werktempo en ook bij de overige aspecten waarin een asterisk voorkomt in voldoende mate is gemotiveerd waarom de belasting op die punten binnen de belastbaarheid van appellant blijft. De Raad concludeert dat appellant met inachtneming van de voor hem geldende beperkingen op de datum hier in geding de aan de schatting ten grondslag gelegde functies zou kunnen verrichten. Het mediaanloon van die functies, afgezet tegen het maatmaninkomen, laat een verlies aan verdiencapaciteit zien van 32,86%, zodat het Uwv de WAO-uitkering van appellant met ingang van 14 juni 1999 terecht heeft berekend naar de arbeidsongeschiktheidsklasse van 25 tot 35%.
Het hoger beroep slaagt niet.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door M.C. Bruning als voorzitter en M.C.M. van Laar en E. Dijt als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.J. Janssen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 18 april 2007.
(get.) M.C. Bruning.
(get.) J.J. Janssen.