ECLI:NL:CRVB:2007:BA3682
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.C. Bruning
- M.C.M. van Laar
- E. Dijt
- Rechtspraak.nl
Bevestiging WAO-uitkeringsbesluit op basis van juiste arbeidsongeschiktheidsschatting
Appellant maakte bezwaar tegen het UWV-besluit waarin zijn WAO-uitkering werd vastgesteld op basis van een arbeidsongeschiktheidspercentage van 25 tot 35%. De rechtbank verklaarde het beroep aanvankelijk gegrond, maar deze uitspraak werd door de Centrale Raad van Beroep vernietigd en de zaak werd terugverwezen.
In de aangevallen uitspraak verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond. Appellant voerde in hoger beroep aan dat onvoldoende rekening was gehouden met zijn medische beperkingen, het progressieve ziektebeeld en de zwaarte van de functies, met name het dwingende werktempo, hand- en vingergebruik en omgevingstemperatuur.
De Raad overwoog dat de functies geen overschrijdingen vertoonden op het gebied van omgevingstemperatuur, dat de beperkingen met betrekking tot hand- en vingergebruik voldoende waren gemotiveerd en dat het dwingende werktempo slechts incidenteel voorkwam. De belastbaarheid van appellant werd als passend beoordeeld.
De Raad concludeerde dat het UWV de WAO-uitkering terecht had berekend naar de klasse van 25 tot 35% arbeidsongeschiktheid, gebaseerd op een verlies aan verdiencapaciteit van 32,86%. Er was geen aanleiding om artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht toe te passen. Het hoger beroep werd verworpen.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de WAO-uitkering terecht is vastgesteld op basis van een arbeidsongeschiktheidspercentage van 25 tot 35%.