ECLI:NL:CRVB:2007:BA3812
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.C. Bruning
- M.C.M. van Laar
- E. Dijt
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering ziekengeld na zorgvuldig medisch onderzoek
Appellant verzocht om ziekengeld op grond van de Ziektewet, maar het UWV besloot op 28 mei 2003 dat hij per 9 juni 2003 niet langer ongeschikt was voor arbeid. Dit besluit werd op bezwaar gehandhaafd en ook de rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. De rechtbank oordeelde dat het medisch onderzoek door de verzekeringsarts en arbeidsdeskundige zorgvuldig was uitgevoerd en dat er geen aanwijzingen waren dat het UWV onjuist had gehandeld.
In hoger beroep stelde appellant dat zijn psychische beperkingen onvoldoende waren meegewogen en dat deze beperkingen zijn inzetbaarheid in arbeid aanzienlijk beperkten. Hij voerde aan dat de rechtbank een nader onderzoek door een psycholoog of psychiater had moeten gelasten. Tevens wees appellant op lichamelijke klachten die volgens hem onvoldoende waren betrokken.
De Raad overwoog dat appellant zijn stellingen niet met medische gegevens had onderbouwd. Het verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek was adequaat gemotiveerd en hield rekening met zowel lichamelijke als psychische klachten. Nieuwe medische brieven werden niet als relevant of objectief onderbouwd beschouwd. De Raad zag geen aanleiding tot het raadplegen van een onafhankelijke deskundige en bevestigde de uitspraak van de rechtbank, waarmee het bestreden besluit in stand bleef.
Uitkomst: Het beroep van appellant wordt ongegrond verklaard en het besluit tot beëindiging van het ziekengeld wordt bevestigd.