ECLI:NL:CRVB:2007:BA3812

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
18 april 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
05-2323 ZW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbZiektewet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering ziekengeld na zorgvuldig medisch onderzoek

Appellant verzocht om ziekengeld op grond van de Ziektewet, maar het UWV besloot op 28 mei 2003 dat hij per 9 juni 2003 niet langer ongeschikt was voor arbeid. Dit besluit werd op bezwaar gehandhaafd en ook de rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. De rechtbank oordeelde dat het medisch onderzoek door de verzekeringsarts en arbeidsdeskundige zorgvuldig was uitgevoerd en dat er geen aanwijzingen waren dat het UWV onjuist had gehandeld.

In hoger beroep stelde appellant dat zijn psychische beperkingen onvoldoende waren meegewogen en dat deze beperkingen zijn inzetbaarheid in arbeid aanzienlijk beperkten. Hij voerde aan dat de rechtbank een nader onderzoek door een psycholoog of psychiater had moeten gelasten. Tevens wees appellant op lichamelijke klachten die volgens hem onvoldoende waren betrokken.

De Raad overwoog dat appellant zijn stellingen niet met medische gegevens had onderbouwd. Het verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek was adequaat gemotiveerd en hield rekening met zowel lichamelijke als psychische klachten. Nieuwe medische brieven werden niet als relevant of objectief onderbouwd beschouwd. De Raad zag geen aanleiding tot het raadplegen van een onafhankelijke deskundige en bevestigde de uitspraak van de rechtbank, waarmee het bestreden besluit in stand bleef.

Uitkomst: Het beroep van appellant wordt ongegrond verklaard en het besluit tot beëindiging van het ziekengeld wordt bevestigd.

Uitspraak

05/2323 ZW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 9 maart 2005, 03/4861 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 18 april 2007
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. J.A.H. Blom, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 maart 2007. Namens appellant is mr. Blom verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H. van Buren.
II. OVERWEGINGEN
Voor de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat thans met het volgende.
Bij besluit van 28 mei 2003 heeft het Uwv appellant medegedeeld dat hij met ingang van 9 juni 2003 geen recht (meer) heeft op ziekengeld ingevolge de Ziektewet (ZW) omdat hij toen niet (meer) wegens ziekte of gebrek ongeschikt tot het verrichten van zijn arbeid werd geacht. Bij besluit van 12 september 2003 (hierna: bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 28 mei 2003 ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daartoe overwogen dat zij in de overgelegde stukken, het verhandelde tijdens het vooronderzoek en het onderzoek ter zitting geen aanknopingspunten heeft gevonden voor het oordeel dat het Uwv van een onjuist medisch onderzoek zou zijn uitgegaan. Zij heeft daarbij in aanmerking genomen dat appellant naar aanleiding van zijn ziekmelding per 6 januari 2003 meerdere malen door een verzekeringsarts is onderzocht. De rechtbank heeft, gelet op de onderzoeken van de bezwaarverzekeringsarts en de bezwaararbeidsdeskundige, geen aanleiding gezien te twijfelen aan de juistheid van het standpunt van het Uwv dat appellant per 9 juni 2003 in staat moet worden geacht zijn laatst verrichte arbeid als CAD-tekenaar te verrichten. Daarbij heeft de rechtbank tevens in aanmerking genomen het commentaar van de bezwaarverzekeringsarts op de brief van 25 november 2004 van de psycholoog M.J.H. Smit en de psychiater R.W. Holleboom, waaruit blijkt dat appellant is gestart met een kortdurende gesprekstherapie wegens een depressieve stoornis NAO, en op de brieven van de behandelend orthopedisch chirurg dr. S.J. Ham van 22 januari, 18 maart, 2 juli en 15 november 2004.
Appellant heeft in hoger beroep tegen die uitspraak aangevoerd dat zijn beperkingen op het psychische vlak zijn onderschat. Ondanks dat hij over zijn psychische problemen in de bezwaarfase uit schaamte niet heeft gesproken, waren die problemen ten tijde van het bestreden besluit wel in aanzienlijke mate aanwezig. De daaruit voortvloeiende beperkingen beperkten de inzetbaarheid van appellant in arbeid. Nu deze beperkingen in de beoordeling niet of onvoldoende zijn meegewogen, berust het primaire besluit inhoudelijk op een onjuiste grondslag. Dat dit wellicht niet is te wijten aan onzorgvuldigheid van de kant van de primaire verzekeringsarts doet daaraan volgens appellant niet af. Hij is van mening dat de informatie over zijn psychische gesteldheid voor de rechtbank aanleiding had moeten zijn om dit aspect verder te laten onderzoeken door een deskundige, te weten een psycholoog of psychiater. Ter zitting heeft appellant voorts nog gewezen op de in bezwaar en beroep naar voren gebrachte lichamelijke klachten.
De Raad overweegt dat appellant ook in hoger beroep zijn stellingen niet met medische gegevens heeft weten te onderbouwen. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat aan het bestreden besluit een zorgvuldig verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek ten grondslag ligt. In de rapportages van die onderzoeken, in hun samenhang bezien, is naar het oordeel van de Raad adequaat gemotiveerd waarom appellant per 9 juni 2003 niet meer ongeschikt was voor zijn laatst verrichte werk van CAD-tekenaar. In de beoordeling zijn zowel de lichamelijke als de psychische klachten van appellant betrokken. De Raad ziet evenals de rechtbank geen aanleiding te twijfelen aan de juistheid van het oordeel van de bezwaarverzekeringsarts dat de brieven van de orthopedisch chirurg geen nieuwe medische feiten bevatten en dat eerdergenoemde brief van 25 november 2004 geen nieuw licht werpt op de psychische gezondheidstoestand van appellant op de datum hier in geding, 9 juni 2003. Hetzelfde geldt naar het oordeel van de Raad voor de brief van de psychiater J.V.M. Marhold van 22 februari 2007 bij wie appellant in december 2006 in behandeling is gekomen. De visie van deze psychiater dat appellant medio 2003 niet in staat was om aan een regulier werkproces deel te nemen, berust blijkens die brief op anamnestische gegevens en wordt niet ondersteund door objectieve bevindingen. De Raad acht zich voldoende voorgelicht en ziet geen grond een onafhankelijke medisch deskundige te raadplegen.
Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad acht geen termen aanwezig voor toepassing van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door M.C. Bruning als voorzitter en M.C.M. van Laar en E. Dijt als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.J. Janssen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 18 april 2007.
(get.) M.C. Bruning.
(get.) J.J. Janssen.