ECLI:NL:CRVB:2007:BA3870
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- H.G. Rottier
- E. Dijt
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit UWV over arbeidsongeschiktheid na onvoldoende motivering in bezwaarprocedure
Appellante, sinds 1978 WAO-uitkeringsgerechtigde, werd bij besluit van het UWV per 2 oktober 2003 als minder dan 15% arbeidsongeschikt beoordeeld, waarna haar uitkering werd ingetrokken. In bezwaar en beroep werd dit besluit aangevochten met medische onderbouwing over haar beperkingen door ziekte van Ménière, fibromyalgie, rug- en psychische klachten.
De rechtbank Utrecht verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat de medische gegevens onvoldoende steun boden voor volledige arbeidsongeschiktheid en dat passende functies binnen haar beperkingen lagen. De Centrale Raad onderschrijft de medische beoordeling maar constateert dat pas in hoger beroep een toereikende motivering werd gegeven voor de geschiktheid van de functies, conform eerdere uitspraken over het Claimbeoordelings- en Borgingssysteem.
Daarom vernietigt de Raad het bestreden besluit en de aangevallen uitspraak, maar laat de rechtsgevolgen van het besluit met toepassing van artikel 8:72 Awb Pro in stand. Tevens veroordeelt de Raad het UWV in de proceskosten van appellante en bepaalt vergoeding van het griffierecht.
Uitkomst: Het bestreden besluit en de aangevallen uitspraak worden vernietigd, maar de rechtsgevolgen van het besluit blijven in stand.