ECLI:NL:CRVB:2007:BA3993
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- G.J.H. Doornewaard
- J. Brand
- J.P.M. Zeijen
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraak rechtbank over intrekking WAZ-uitkering per 4 april 2004
De zaak betreft een geschil over de vaststelling en intrekking van een WAZ-uitkering aan betrokkene. Appellant, het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, kende per 13 december 2002 een uitkering toe op basis van een arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%. Betrokkene stelde dat hij recht had op een hogere mate van arbeidsongeschiktheid (80-100%). Na bezwaar verklaarde appellant het bezwaar ongegrond en trok de uitkering per 4 april 2004 in.
De rechtbank Amsterdam vernietigde het besluit van 26 februari 2004 en oordeelde dat de mate van arbeidsongeschiktheid per 13 december 2002 en 4 april 2004 45 tot 55% bedroeg. Appellant stelde in hoger beroep dat de rechtbank ten onrechte een medische urenbeperking aannam. De Centrale Raad van Beroep overwoog dat het hoger beroep beperkt was tot de situatie per 4 april 2004 en dat het besluit van 26 februari 2004 over die datum niet binnen hetzelfde feitencomplex viel als het primaire besluit van 15 april 2003.
De Raad stelde vast dat het beroep van betrokkene tegen de intrekking van de uitkering per 4 april 2004 niet-ontvankelijk was omdat het geen besluit op bezwaar betrof maar een primaire beslissing. De Raad vernietigde daarom het deel van de uitspraak van de rechtbank dat hierover oordeelde en zond het beroepschrift door als bezwaarschrift aan appellant. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep tegen de intrekking van de WAZ-uitkering per 4 april 2004 is niet-ontvankelijk verklaard en het deel van de uitspraak van de rechtbank hierover is vernietigd.