ECLI:NL:CRVB:2007:BA4258
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.C. Bruning
- M.C.M. van Laar
- E. Dijt
- Rechtspraak.nl
Beoordeling arbeidsongeschiktheid en WAO-uitkering bij verschillende ziekteoorzaken
Appellante was werkzaam via een uitzendorganisatie en viel in juni 1999 uit wegens klachten aan haar rechterarm. Na een periode van 52 weken arbeidsongeschiktheid werd haar ziekengeld toegekend, maar een aanvraag voor een WAJONG-uitkering werd afgewezen omdat haar aanspraken volgens het UWV op grond van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) moesten worden beoordeeld.
In hoger beroep stelde appellante dat er wel degelijk objectieve afwijkingen aan haar rechterarm waren en dat zij vanwege beperkingen niet in staat was bepaalde functies te verrichten. Medische rapporten bevestigden dat de klachten aan de rechterarm sinds haar jeugd aanwezig waren, maar dat de klachten pas bij werkbelasting optraden. De Raad concludeerde dat de klachten aan de rechterarm een andere ziekteoorzaak vormden dan de latere klachten aan de linkerduim.
Na een val in april 2003 brak appellante haar linkerduim, wat leidde tot nieuwe klachten en arbeidsongeschiktheid. Het UWV weigerde een WAO-uitkering toe te kennen omdat deze nieuwe arbeidsongeschiktheid voortvloeide uit een andere ziekteoorzaak dan de eerdere beperkingen. De Raad bevestigde deze beslissing en verklaarde het beroep van appellante ongegrond, omdat geen verband bestond tussen de linkerduimklachten en de eerdere rechterarmproblemen.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de arbeidsongeschiktheid aan de linkerduim een andere ziekteoorzaak betreft, waardoor appellante geen recht heeft op een WAO-uitkering.