ECLI:NL:CRVB:2007:BA4294

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
24 april 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06-2679 NABW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 35 WWBArt. 43 WWBArt. 67 Algemene bijstandswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing bijzondere bijstand voor tandartskosten zonder terugwerkende kracht

Appellant heeft op 29 januari 2003 een tandartsbehandeling ondergaan met een nota van €432,10, waarvan een deel door de ziektekostenverzekeraar werd vergoed. De appellant betaalde de volledige nota op 26 juni 2003 en vroeg op 5 november 2003 bijzondere bijstand aan voor de eigen bijdrage van €170,75. Het College wees deze aanvraag op 8 januari 2004 af en verklaarde het bezwaar ongegrond op 1 juni 2004, omdat de aanvraag niet tijdig was ingediend en het gemeentelijk beleid terugwerkende kracht beperkt tot kosten onder €100.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de appellant ging in hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep. Deze oordeelde dat het College het beleid consistent had toegepast en dat er geen bijzondere omstandigheden waren die terugwerkende bijstand rechtvaardigen. Volgens de WWB geldt dat bijstand alleen wordt verleend op schriftelijke aanvraag en niet met terugwerkende kracht, tenzij bijzondere omstandigheden aanwezig zijn.

De Raad bevestigde de eerdere uitspraak en wees het beroep af. Tevens werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De Raad concludeerde dat de aanvraag terecht was afgewezen omdat de aanvraag niet onmiddellijk na het ontstaan van de kosten was ingediend en het beleid van het College niet buitenwettelijk was toegepast.

Uitkomst: De aanvraag om bijzondere bijstand voor tandartskosten werd afgewezen wegens het ontbreken van bijzondere omstandigheden en het niet tijdig indienen van de aanvraag.

Uitspraak

06/2679 NABW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 28 maart 2006, 05/416 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Eindhoven
(hierna: College)
Datum uitspraak: 24 april 2007
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. P.J.A. van de Laar, advocaat te Eindhoven, hoger beroep ingesteld.
Het College heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met het onderzoek in de gedingen met reg.nrs. 06/2556 WWB, 06/2557 WWB, 06/2558 WWB, 06/2559 WWB en 06/2560 WWB, plaatsgevonden op 27 maart 2007. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. van de Laar. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.C.N. van Dijk, werkzaam bij de gemeente Eindhoven. Na sluiting van het onderzoek ter zitting zijn de gevoegde zaken weer gesplitst. In dit geding wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan.
II. OVERWEGINGEN
De Raad gaat uit van de volgende in dit geding zijnde feiten en omstandigheden.
Appellant heeft op 29 januari 2003 een tandartsbehandeling ondergaan. De nota voor deze behandeling bedroeg € 432,10, waarvan een bedrag van € 261,35 op 14 februari 2003 door appellants ziektekostenverzekeraar aan hem is uitgekeerd. Appellant heeft vervolgens op 26 juni 2003 de gehele nota voldaan.
Bij besluit van 8 januari 2004 heeft het College afwijzend beslist op appellants aanvraag van 5 november 2003 om bijzondere bijstand voor de eigen bijdrage van € 170,75 van de hiervoor genoemde tandartskosten.
Bij besluit van 1 juni 2004 heeft het College het tegen het besluit van 8 januari 2004 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Aan dat besluit is ten grondslag gelegd dat de kosten waarvoor bijstand is gevraagd zijn gemaakt (ruim) voor de aanvraagdatum. Volgens gemeentelijk beleid kan slechts in voorkomende gevallen met terugwerkende kracht bijzondere bijstand worden verleend indien de kosten waarvoor bijstand wordt aangevraagd niet meer bedragen dan € 100,--. Overschrijden de kosten dit bedrag dan dient in beginsel vooraf dan wel onmiddellijk na het maken van de kosten bijzondere bijstand te worden aangevraagd.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 1 juni 2004 ongegrond verklaard.
Appellant heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Hij heeft daarbij met name aangevoerd dat hij al in een eerder stadium aanvragen voor de kosten in geding heeft ingediend.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Ingevolge artikel 35, eerste lid, van de Wet werk en bijstand (WWB) - voor zover van belang - heeft, onverminderd paragraaf 2.2, de alleenstaande of het gezin recht op bijzondere bijstand voor zover de alleenstaande of het gezin niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van het college van burgemeester en wethouders niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de langdurigheidstoeslag, het vermogen, en het inkomen, voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm.
Ingevolge artikel 43, eerste lid, van de WWB, stelt het college van burgemeester en wethouders het recht op bijstand op schriftelijke aanvraag vast. Volgens vaste rechtspraak vloeit uit deze bepaling, die tot 1 januari 2004 was neergelegd in artikel 67, eerste lid, van de Algemene bijstandswet, voort dat geen bijstand wordt verleend voorafgaand aan de datum van de aanvraag, tenzij bijzondere omstandigheden dit rechtvaardigen.
De Raad is van oordeel dat voor zover het hiervoor weergegeven door het College gehanteerde beleid inhoudt dat bijzondere bijstand met terugwerkende kracht wordt toegekend in andere gevallen dan waarin zulks door bijzondere omstandigheden wordt gerechtvaardigd, dit beleid dient te worden gekwalificeerd als buitenwettelijk, begunstigend beleid. Volgens eveneens vaste rechtspraak van de Raad betekent dit dat de aanwezigheid en de toepassing van dit beleid als gegeven wordt aanvaard, met dien verstande dat wordt getoetst of het beleid op consistente wijze is toegepast.
De Raad stelt, hiervan uitgaande, vast dat de besluitvorming van het College in overeenstemming is met het door hem gehanteerde beleid. Daarbij betrekt de Raad dat de aanvraag van 16 april 2003 geen aanvraag betreft om bijstand voor de onderhavige kosten. Uit het zich onder de gedingstukken bevindende inlichtingenformulier van
5 augustus 2003 blijkt wel dat om bijzondere bijstand voor tandartskosten wordt verzocht, maar dit verzoek is, evenals de in geding zijnde aanvraag, niet onmiddellijk na het ontstaan van de kosten - op 29 januari 2003 - ingediend.
De Raad ziet voorts, ook los van het beleid van het College, geen bijzondere omstandigheden die bijstandsverlening voor de onderhavige kosten met terugwerkende kracht rechtvaardigen.
De Raad komt gezien het voorgaande tot de conclusie dat de aanvraag van appellant om bijzondere bijstand voor de eigen bijdrage van de tandartskosten terecht is afgewezen. Dat brengt mee dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk als voorzitter en C. van Viegen en L.H. Waller als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.E. Broekman als griffier, uitgesproken in het openbaar op 24 april 2007.
(get.) G.A.J. van den Hurk.
(get.) P.E. Broekman.
BKH 120407