ECLI:NL:CRVB:2007:BA4813
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- K.J.S. Spaas
- C.W.J. Schoor
- H.G. Rottier
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking WAO-uitkering met terugwerkende kracht wegens inkomsten uit eigen bedrijf
Appellant ontving sinds 1987 een arbeidsongeschiktheidsuitkering die vanaf 1999 werd vastgesteld op basis van een geschat verdienvermogen. Na ontvangst van winstcijfers van zijn assurantiekantoor over 1999 en 2000 besloot het UWV in 2003 de uitkering met terugwerkende kracht per 1 januari 1999 te beëindigen en het teveel betaalde bedrag terug te vorderen.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat appellant op de hoogte had kunnen zijn van zijn werkelijke inkomsten en dat het terugvorderen niet in strijd was met het rechtszekerheidsbeginsel. In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep deze uitspraak en overwoog dat het tijdsverloop niet tot onrechtmatigheid leidt en dat appellant geen dringende redenen had aangevoerd om van terugvordering af te zien.
De Raad benadrukte dat appellant via het besluit van 23 februari 2000 op de hoogte was dat het recht op uitkering nog niet definitief was vastgesteld en dat hij zijn eigen verdiensten had kunnen controleren. Het beroep op artikel 6 EVRM Pro faalde omdat de redelijke termijn niet was overschreden door het UWV. De Raad concludeerde dat de intrekking en terugvordering rechtmatig zijn en bevestigde de eerdere uitspraken.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking van de WAO-uitkering met terugwerkende kracht per 1 januari 1999 en wijst het beroep van appellant af.