ECLI:NL:CRVB:2007:BA4823
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- H. Bolt
- R.P.Th. Elshoff
- Rechtspraak.nl
Beoordeling afwijzing WW-uitkering wegens faillissementsuitkering in België
Appellant, werkzaam als bedrijfsleider bij een Nederlandse werkgever met een Belgische bestuurder, meldde zich ziek per 15 oktober 2002. Na signalen van betalingsproblemen bij de werkgever en een faillissement in België, bleef appellant tot februari 2003 loon ontvangen. Hij verzocht in maart 2004 om een WW-uitkering, die door het UWV werd afgewezen omdat hij in België een faillissementsuitkering had kunnen aanvragen.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond. De Centrale Raad van Beroep toetste of het UWV terecht het verzoek om overneming van betalingsverplichtingen had afgewezen op grond van artikel 23 van Pro de WW, dat de uitkering niet kan worden vastgesteld over perioden langer dan 26 weken voor de aanvraagdatum.
De Raad concludeerde dat medio maart 2003 een objectieve toestand van blijvende betalingsonmacht bestond en dat appellant dit ook had moeten begrijpen. De aanvraag van 18 maart 2004 was daarmee te laat. Het standpunt van appellant dat een eerdere beslissing in het kader van de Ziektewet een bijzonder geval zou vormen, werd verworpen. De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees proceskostenveroordeling af.
Uitkomst: Het verzoek om WW-uitkering werd afgewezen omdat appellant in België een faillissementsuitkering had kunnen aanvragen en de aanvraag in Nederland te laat was.