ECLI:NL:CRVB:2007:BB9754
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- H.G. Rottier
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit UWV over WW-uitkering wegens ontoereikende grondslag
Appellant, werkzaam als mystery shopper sinds 1993, vroeg in 2003 een WW-uitkering aan nadat de werkgever in 2004 onder een schuldsaneringsregeling kwam en de arbeidsovereenkomst werd opgezegd.
Het UWV stelde dat de arbeidsovereenkomst uiterlijk per 1 maart 2002 had moeten eindigen, omdat de werkgever toen al in betalingsonmacht zou zijn geweest, en weigerde de uitkering op grond van artikel 23 WW Pro vanwege te late aanvraag.
De rechtbank bevestigde dit standpunt, maar de Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het UWV onvoldoende bewijs had geleverd voor de betalingsonmacht eind 2001/begin 2002. De werkgever had nog loon betaald tot oktober 2002 en er waren juridische stappen en vonnissen die dit ondersteunen.
Daarom vernietigde de Raad het besluit en de uitspraak van de rechtbank en bepaalde dat het UWV een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak en eerdere jurisprudentie. Tevens werd het UWV veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: Het besluit van het UWV wordt vernietigd en het UWV dient een nieuw besluit te nemen over de WW-uitkering van appellant.