ECLI:NL:CRVB:2007:BA5326
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken concreet belang bij beoordeling levensvatbaarheid bedrijf
Appellant had bijstand ontvangen in de vorm van een geldlening voor de kosten van bestaan en bedrijfskapitaal voor een te starten bedrijf. Na beëindiging van het bedrijf op 17 september 2003 verleende het College algemene bijstand om niet. Het College wees een verzoek tot voortzetting van bijstand vanaf 1 mei 2003 af wegens onvoldoende levensvatbaarheid van het bedrijf. De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond.
Appellant stelde in hoger beroep dat het bedrijf wel levensvatbaar was. Tijdens de procedure werden besluiten van 31 maart 2006 overgelegd, waarin het College de eerder verstrekte bijstand over de periode november 2002 tot september 2003 omzette in bijstand om niet. Hierdoor was het geschil over de levensvatbaarheid feitelijk opgelost.
De Raad oordeelde dat appellant geen actueel en concreet belang meer had bij de beoordeling van de levensvatbaarheid van het bedrijf per 1 mei 2003, omdat de bijstand inmiddels was toegekend en hij geen schadevergoeding vorderde. Het hoger beroep werd daarom niet-ontvankelijk verklaard, aangezien de Raad geen louter principiële vragen behandelt.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van een concreet en actueel belang.