[appellante] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 20 februari 2006, 04/5282 (hierna: aangevallen uitspraak),
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College)
Datum uitspraak: 24 april 2007
Namens appellante heeft mr. D. Simons, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.
Het College heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 maart 2007. Voor appellante is verschenen mr. Simons. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. F. Lavell, werkzaam bij de gemeente Amsterdam.
De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
Appellante is op 4 maart 2004 verhuisd naar een andere - grotere - woning in Amsterdam.
Op 16 maart 2004 heeft appellante een aanvraag ingediend voor bijzondere bijstand ter voorziening in de kosten van aanschaf van vloerbedekking, verf en gordijnen. Op haar aanvraagformulier heeft appellante aangegeven dat zij de vloerbedekking, verf en gordijnen reeds heeft aangeschaft en dat de kosten hiervan door een tante van haar zijn voorgeschoten.
Bij besluit van 19 april 2004 heeft het College de aanvraag afgewezen.
Bij besluit van 16 september 2004 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 19 april 2004 ongegrond verklaard.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het besluit van 16 september 2004 ongegrond verklaard.
De Raad heeft in hetgeen van de zijde van appellante in hoger beroep is aangevoerd geen aanleiding gevonden de aangevallen uitspraak voor onjuist te houden. Daartoe overweegt hij het volgende.
Uit de gedingstukken blijkt dat appellante in de periode van 9 februari 2004 tot en met 5 maart 2004, met van haar tante geleend geld, de vloerbedekking, verf en gordijnen heeft aangeschaft. Op 16 maart 2004 heeft appellante zich tot het College gewend met een aanvraag om bijzondere bijstand in de kosten van deze aanschaf.
Het vorenstaande betekent dat op het moment van aanvraag materieel gezien geen sprake was van een aanvraag om bijzondere bijstand maar van een aanvraag om bijstand in de kosten van een schuld.
Ingevolge artikel 13, eerste lid, aanhef en onder f, van de Wet werk en bijstand (hierna: WWB) heeft degene die bijstand vraagt ter gedeeltelijke of volledige aflossing van een schuldenlast en die overigens bij het ontstaan van de schuldenlast, dan wel nadien, beschikte of beschikt over de middelen om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien, geen recht op bijstand. In artikel 49, aanhef en onder b, van de WWB is de mogelijkheid opgenomen om in afwijking van artikel 13, eerste lid, aanhef en onder f, van de WWB bijzondere bijstand te verlenen indien daartoe zeer dringende redenen bestaan en de in onderdeel a van dat artikel genoemde mogelijkheid geen uitkomst biedt.
De Raad is niet gebleken dat appellante bij het ontstaan van de schuld en ook nadien een inkomen had dat niet toereikend was om in de algemeen noodzakelijke kosten van het
bestaan te voorzien, ondanks het feit dat zij in een schuldsaneringstraject was opgenomen. Dit be-tekent dat het bepaalde in artikel 13, eerste lid, aanhef en onder f, van de WWB in beginsel aan bijstandsverlening in de weg staat. De door appellante - eerst in bezwaar - gestelde onverwijlde noodzaak om te verhuizen in verband met bedreiging door haar ex-partner heeft zij niet met objec-tieve, verifieerbare gegevens onderbouwd en kan dan ook niet als een zeer dringende reden in de zin van artikel 49, aanhef en onder b, van de WWB worden aangemerkt. Evenmin is gebleken van zeer dringende redenen op grond waarvan appellante, die vanaf 19 januari 2004 al wist dat ze zou gaan verhuizen, niet eerder een aanvraag heeft kunnen indienen. Aan het College kwam dan ook niet de bevoegdheid toe tot verlening van bijzondere bijstand voor de betreffende schuld.
Het hoger beroep slaagt derhalve niet. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
Voor een veroordeling in de proceskosten is geen aanleiding.
De Centrale Raad van Beroep;
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door G. van der Wiel als voorzitter en A.B.J. van der Ham en J.N.A. Bootsma als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Pijper als griffier, uitgesproken in het openbaar op 24 april 2007.