ECLI:NL:CRVB:2007:BA5418
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- G.A.J. van den Hurk
- R.H.M. Roelofs
- A.B.J. van der Ham
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstandsuitkering wegens gezamenlijke huishouding en schending inlichtingenverplichting
Appellante ontving bijstand als alleenstaande, maar het College stelde na onderzoek vast dat zij vanaf 28 oktober 1998 een gezamenlijke huishouding voerde met een partner, ondanks dat deze partner een ander officieel adres had. Dit werd onderbouwd met verklaringen van buurtbewoners, een woonomgevingonderzoek en verklaringen van appellante zelf.
Het College trok de bijstand over de betreffende periode in en vorderde de ten onrechte ontvangen bedragen terug. Appellante voerde aan dat sprake was van een LAT-relatie en betwistte de wijze van verhoor, maar de Raad vond geen aanleiding om haar verklaring te verwerpen. De gezamenlijke huishouding werd bevestigd aan de hand van wederzijdse zorg en financiële bijdragen.
De Raad oordeelde dat appellante de inlichtingenverplichting niet was nagekomen en dat het College bevoegd was de bijstand in te trekken en terug te vorderen. Het beleid van het College werd als redelijk beoordeeld en er waren geen dringende redenen om hiervan af te wijken. De aangevallen uitspraak van de rechtbank werd bevestigd en de proceskosten werden niet toegewezen.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking en terugvordering van bijstand wegens gezamenlijke huishouding en schending van de inlichtingenverplichting.