ECLI:NL:CRVB:2007:BA5578
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging toekenning gedeeltelijke WAO-uitkering na bezwaar en hoger beroep
Appellant stelde hoger beroep in tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar, waarin het beroep tegen het UWV-besluit tot weigering van een WAO-uitkering ongegrond werd verklaard. Het UWV had aanvankelijk geweigerd een WAO-uitkering toe te kennen omdat de arbeidsongeschiktheid redelijkerwijs voorzienbaar was. De rechtbank vernietigde dit besluit en bepaalde dat het UWV een nieuw besluit moest nemen.
In het bestreden besluit kende het UWV appellant een gedeeltelijke WAO-uitkering toe, berekend op 25 tot 35% arbeidsongeschiktheid, zonder een nieuw medisch onderzoek te verrichten. Appellant stelde dat dit onjuist was en dat een nieuw medisch onderzoek noodzakelijk was, mede gelet op een tuchtmaatregel tegen de betrokken bedrijfsarts.
De Raad oordeelde echter dat het UWV met het bestreden besluit een juiste uitvoering gaf aan de rechtbankuitspraak en dat er geen verplichting bestond tot een nieuw medisch onderzoek. De medische beperkingen waren adequaat vastgesteld op basis van rapportages van verzekeringsartsen. De tuchtmaatregel tegen de bedrijfsarts had geen invloed op het besluit. De Raad bevestigde dat de geselecteerde functies passend waren en dat de mate van arbeidsongeschiktheid terecht was vastgesteld.
Het hoger beroep werd afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het UWV terecht een gedeeltelijke WAO-uitkering toekent zonder nieuw medisch onderzoek.