ECLI:NL:CRVB:2007:BA5921

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
10 mei 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06-820 AW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:86 AwbArt. 8:75 AwbArt. 1003 ARAArt. 1004 ARA
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging voorwaardelijk ontslag na overtreding bedrijfsvoorschriften tramvervoerder

Appellant, werkzaam als trambestuurder bij het GVB, kreeg op 30 november 2004 voorwaardelijk strafontslag opgelegd wegens het niet bereikbaar zijn voor de rapporteur arbeidsverzuim. Op 28 januari 2005 was appellant betrokken bij een aanrijding tussen twee trams, waarbij hij de bedrijfsvoorschriften omtrent het inrijden van een inloopwissel niet heeft nageleefd. De Aanrijding- en Ontsporingcommissie concludeerde dat appellant niet conform voorschriften had gehandeld.

Het college besloot op 8 april 2005 het voorwaardelijk ontslag ten uitvoer te leggen. Appellant maakte bezwaar, maar dit werd bij besluit van 25 oktober 2005 gehandhaafd. De voorzieningenrechter verklaarde het beroep van appellant ongegrond. Appellant stelde hoger beroep in bij de Centrale Raad van Beroep.

De Raad oordeelde dat het eerdere besluit tot voorwaardelijk ontslag vaststaat omdat daartegen geen rechtsmiddelen zijn aangewend. De Raad beoordeelde of het plichtsverzuim van appellant rechtvaardigt dat het voorwaardelijk ontslag wordt uitgevoerd. Uit de feiten en verklaringen blijkt dat appellant de snelheid overschreed en niet wachtte op het tegemoetkomend verkeer, wat ernstige overtreding van de bedrijfsvoorschriften is.

Een mogelijk defect aan het wissel doet hieraan niet af, aangezien de voorschriften juist bedoeld zijn om ongelukken bij defecten te voorkomen. Het college hoefde appellant geen herinstructie aan te bieden omdat geen tekortkomingen in rijvaardigheid waren vastgesteld. De Raad bevestigde de uitspraak van de voorzieningenrechter en verklaarde het beroep ongegrond.

Uitkomst: Het beroep van appellant tegen het besluit tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk ontslag wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

06/820 AW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam van 20 december 2005, 05/5372 en 05/5373 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: college)
Datum uitspraak: 10 mei 2007
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 april 2007, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. R.R. Haitsma, advocaat te Amsterdam. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.J. Buurma,
drs. V. Hoekstra, C. Persijn en L.T. Boekel, allen werkzaam bij het Gemeentevervoerbedrijf Amsterdam (GVB).
II. OVERWEGINGEN
1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende feiten en omstandigheden.
1.1. Appellant was sedert 1 januari 1995 werkzaam bij het GVB, laatstelijk in de functie van personenvervoerder tram (trambestuurder). Bij besluit van 30 november 2004 heeft het college aan appellant met toepassing van artikel 1003, eerste lid, aanhef en onder f, van het Ambtenarenreglement Amsterdam (ARA), in verbinding met artikel 1004 van Pro het ARA, wegens het niet bereikbaar zijn voor de rapporteur arbeidsverzuim, strafontslag opgelegd. Daarbij is bepaald dat die straf pas ten uitvoer zal worden gelegd als appellant zich binnen zes maanden na 1 november 2004 wederom schuldig maakt aan een soortgelijk of enig ander ernstig plichtsverzuim. Tegen dit besluit zijn geen rechtsmiddelen aangewend.
1.2. Op 28 januari 2005 is appellant betrokken geweest bij een aanrijding tussen twee trams. Appellant was de bestuurder van één van deze trams. Nadat een tram hem was voorgegaan was appellant een zogeheten inloopwissel ingereden, met de bedoeling om rechtdoor te rijden. Deze wissel is echter vlak vóór zijn tram naar links omgeklapt. Appellant heeft nog geremd maar hij heeft niet meer kunnen voorkomen dat zijn tram naar links afboog en daardoor in aanrijding is gekomen met een hem tegemoetkomende tram. Zijn tram is daardoor ontspoord en aan beide wagens is aanzienlijke materiële schade ontstaan.
1.3. Nadat appellant zich op 11 februari 2005 had verantwoord, heeft de Aanrijding- en Ontsporingcommissie op 15 februari 2005 in haar advies geconcludeerd dat appellant niet heeft gehandeld conform de bedrijfsvoorschriften van het GVB. Bij besluit van 8 april 2005 is het college, voor zover relevant, op grond van artikel 1003, eerste lid, aanhef en onder f, van het ARA, in samenhang met artikel 1004 van Pro het ARA, overgegaan tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk ontslag met ingang van 8 april 2005 omdat appellant zich niet heeft gehouden aan de bedrijfsvoorschriften ten aanzien van het inrijden van inloopwissels, gezien de snelheid waarmee het inloopwissel is ingereden en het niet voldoende afstand houden tot de voorgaande tram. Dit besluit is na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 25 oktober 2005 (hierna: bestreden besluit).
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit met toepassing van artikel 8:86 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ongegrond verklaard.
3. Naar aanleiding van de hierop betrekking hebbende grief van appellant overweegt de Raad allereerst dat volgens vaste rechtspraak (CRvB 9 juni 2006, LJN AX8904) de voorzieningenrechter geen toestemming van partijen nodig heeft om gebruik te maken van zijn in artikel 8:86, eerste lid, van de Awb neergelegde bevoegdheid. Ook overigens ziet de Raad in hetgeen appellant heeft aangevoerd geen grond voor het oordeel dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft gezegd dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. De voor een beoordeling ten gronde noodzakelijke gegevens waren immers in het dossier aanwezig.
4. Voorts stelt de Raad vast dat het besluit van 30 november 2004 tot het verlenen van voorwaardelijk strafontslag als een vaststaand gegeven moet worden beschouwd, nu appellant daartegen geen rechtsmiddelen heeft aangewend. De Raad dient derhalve te beoordelen of het besluit om uitvoering te geven aan het eerder genomen ontslagbesluit de toetsing van de Raad kan doorstaan. Daartoe zal de Raad beoordelen of het begane plichtsverzuim uitvoering van de eerder opgelegde voorwaardelijke straf rechtvaardigt en voorts of het college daartoe in redelijkheid heeft kunnen besluiten.
4.1. Volgens de bedrijfsvoorschriften van het GVB geldt bij het naderen van een tegen de punt in bereden wissel, in dat geval inloopwissel genoemd, een snelheidsbeperking van 5 kilometer per uur. Daarnaast dient een voorgaande tram bij een inloopwissel uitgemeld te zijn - hetgeen blijkt uit het doven van de blauwe lamp - voordat de volgende tram de inmeldlus van het inloopwissel mag activeren en daardoor het wissel mag stellen. Voordat het wissel wordt ingereden dient de bestuurder zich ervan te vergewissen dat de blauwe lamp het sein voor de gewenste richting geeft en dat het wissel in de juiste stand ligt. Voor een inloopwissel moet bovendien in voorkomend geval niet alleen gestopt maar ook gewacht worden totdat het tegemoetkomend verkeer is gepasseerd. Deze voorschriften dienen te worden nageleefd ter voorkoming van de kwade kans dat het inloopwissel niet in de gewenste stand komt of zelfs in de niet gewenste richting omklapt, waardoor een botsing met een tegemoetkomende tram zou kunnen worden veroorzaakt.
4.2. Appellant heeft in zijn bezwaarschrift van 13 mei 2005 aangevoerd dat hij had gezien dat de voorgaande tram zich had uitgemeld aangezien de lamp was gedoofd. Volgens appellant is het wissel, dat aanvankelijk in de juiste stand lag, door een defect naar links versprongen toen hij het wissel inreed. De Raad kan de juistheid van die stellingen in het midden laten omdat naar zijn oordeel voldoende is vast komen te staan dat appellant het inloopwissel (ook) in andere opzichten niet volgens de bedrijfsvoorschriften, waarmee appellant bekend was, heeft ingereden. Appellant had volgens deze regels immers moeten stoppen en moeten wachten tot de hem tegemoetkomende tram zou zijn gepasseerd. Dat appellant dit heeft nagelaten blijkt naar het oordeel van de Raad voldoende uit de gedingstukken waaronder het verslag van zijn verantwoordingsgesprek, zijn verklaring na de aanrijding en het verslag van de hoorzitting. Daarnaast heeft appellant de toegestane snelheid bij inloopwissels overschreden, hetgeen eveneens blijkt uit zijn eerdergenoemde verklaring waarin hij aangeeft dat hij ter hoogte van het wissel reed met een snelheid van 10 tot 15 kilometer per uur. Deze verklaring van appellant is in overeenstemming met de verklaring van de bestuurder van de hem tegemoetkomende tram en de rapportage afhandeling bij een aanrijding/ontsporing van 28 januari 2005.
4.3. Dat er mogelijk een fout in het wissel is opgetreden doet er naar het oordeel van de Raad niet aan af dat de bedrijfsvoorschriften door appellant zijn overtreden. Die voorschriften zijn er - voor zover hier van belang - juist op gericht om in geval van een defect of een onjuiste bediening van het wissel te voorkomen dat een ongeval ontstaat zoals in dit geval heeft plaatsgevonden. In routineus handelen, voor zover daarvan al sprake is geweest, kan naar het oordeel van de Raad geen rechtvaardiging worden gevonden voor het overtreden van deze in het belang van de veiligheid gegeven voorschriften. De door appellant genoemde civielrechtelijke jurisprudentie leidt evenmin tot het oordeel dat in dit geval geen sprake is van plichtsverzuim, aangezien deze niet rechtstreeks van toepassing is en daarin bovendien geheel andere rechtsvragen aan de orde waren dan in de onderhavige zaak.
4.4. Naar het oordeel van de Raad is gezien het voorgaande sprake van ernstig plichtsverzuim zodat het college de bevoegdheid toekwam het voorwaardelijk strafontslag ten uitvoer te leggen.
4.5. Aangezien geenszins aannemelijk is dat appellant de voorschriften heeft overtreden wegens tekortkomingen in zijn rijvaardigheid, was het college naar het oordeel van de Raad niet gehouden appellant een herinstructie aan te bieden. Naar het oordeel van de Raad heeft het college in redelijkheid kunnen besluiten de straf ten uitvoer te leggen.
4.6. Gezien het voorgaande komt de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking.
5. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Awb.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als voorzitter en R. Kooper en C.P.J. Goorden als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier, uitgesproken in het openbaar op 10 mei 2007.
(get.) G.P.A.M. Garvelink-Jonkers.
(get.) P.W.J. Hospel.