ECLI:NL:CRVB:2007:BA6404
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.C. Bruning
- M.C.M. van Laar
- E. Dijt
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen weigering en latere verhoging WAO-uitkering
Appellant, voormalig financieel manager, ontving sinds 1994 een WAO-uitkering wegens nek- en schouderklachten, aanvankelijk vastgesteld op 80-100% arbeidsongeschiktheid. Na een herbeoordeling in 1999 werd dit percentage verlaagd naar 45-55%. In 2002 verzocht appellant om herziening wegens toegenomen klachten, maar een verzekeringsarts concludeerde in 2003 dat zijn medische toestand niet was verslechterd. Het bezwaar werd ongegrond verklaard.
In hoger beroep stelde appellant dat het medisch onderzoek onvoldoende zorgvuldig was en betwijfelde hij de deskundigheid van de verzekeringsartsen. Tijdens de procedure nam het Uwv in november 2006 een nieuw besluit waarin de uitkering werd verhoogd naar 55-65%, gebaseerd op een arbeidskundige herbeoordeling. De medische grondslag bleef ongewijzigd.
De Raad oordeelde dat het hoger beroep tegen het eerste besluit niet-ontvankelijk was, omdat het nieuwe besluit het eerdere deels verving. Het beroep tegen het nieuwe besluit werd ongegrond verklaard, omdat de medische beoordeling zorgvuldig was en de arbeidskundige beoordeling voldoende gemotiveerd. Ook werd vastgesteld dat ondanks een toegenomen belasting in één functie, voldoende passende functies overbleven om de schatting te baseren.
Tot slot bepaalde de Raad dat het Uwv het door appellant betaalde griffierecht moest vergoeden, aangezien het nieuwe besluit tijdens de procedure werd genomen.
Uitkomst: Het hoger beroep tegen het eerste besluit is niet-ontvankelijk verklaard en het beroep tegen het tweede besluit ongegrond; het griffierecht wordt vergoed.