ECLI:NL:CRVB:2007:BA6639
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- B.M. van Dun
- R.P.Th. Elshoff
- Rechtspraak.nl
Blijvende weigering WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid na vrijwillige overstap naar tijdelijke dienstbetrekking
Appellante was sinds 2 juli 2002 in vaste dienst bij een bedrijf in Hoofddorp, maar nam ontslag vanwege de lange reistijd en het salaris. Vervolgens trad zij op 15 juli 2004 in dienst bij een ander bedrijf in Breda op basis van een tijdelijk contract van drie maanden, dat later werd verlengd tot 31 december 2004. Na het niet verlengen van dit contract vroeg zij een WW-uitkering aan, die per 3 januari 2005 blijvend geheel werd geweigerd wegens verwijtbare werkloosheid.
Het UWV stelde dat appellante een aanmerkelijk en voorzienbaar werkloosheidsrisico had genomen door haar vaste dienstverband op te zeggen voor een tijdelijke baan. De rechtbank Middelburg verklaarde het beroep tegen deze beslissing ongegrond. In hoger beroep stelde appellante dat zij goede redenen had voor haar overstap, zoals reistijd en salaris, en dat zij het werkloosheidsrisico niet redelijkerwijs had kunnen voorzien.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het einde van de vaste dienstbetrekking niet te voorzien was en dat de tijdelijke dienstbetrekking een aanzienlijk werkloosheidsrisico inhield vanwege de onzekerheid over het succes van de nieuwe functie. Hierdoor was de keuze van appellante lichtvaardig en kon de werkloosheid haar worden verweten. De Raad bevestigde daarom de weigering van de WW-uitkering.
De Raad zag geen aanleiding voor vergoeding van proceskosten en wees het hoger beroep af. De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 25 april 2007.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de blijvende weigering van de WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid.